Columbus,
De Ontdekker van Amerika.
Naar het Engelsch van J. S. C. Abbott,
Vertaald door
J. H. Geraets Jr.
Hoofd der school te Velsen
Met 11 Afbeeldingen.
Amsterdam.--1887.--W. Versluys.
EERSTE HOOFDSTUK.
MOEILIJKHEDEN, WAARMEDE COLUMBUS IN ZIJN JONGE JAREN HAD TE KAMPEN.
In de prachtige zeestad Genua, de trotsche bijgenaamd, werd
omstreeks het jaar 1435 een knaapje geboren, dat nu in alle landen
als Christophorus Columbus bekend is. Het juiste jaar zijner geboorte
kent men niet. Hij was de zoon van geringe lieden, en zijn vader,
die een degelijk en vlijtig man, en wolkammer van beroep was, moest
hard werken, om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien.
De haven van Genua lag vol met schepen uit al de handelshavens
van de toen bekende wereld. Op de kaden wemelde het van zeelieden,
die allerlei talen spraken en de uiteenloopendste kleederdrachten
vertoonden. De knaap was van nature nadenkend en bezat, bij een groote
liefde voor avonturen, een levendige verbeelding. Wanneer hij zoo
langs de straten slenterde en naar de groote schepen keek, ontwaakte
een sterke begeerte in hem, om verafgelegen landen te bezoeken.
Zijn vader had vier kinderen, drie zoons en één dochter. Hij moet een
verdienstelijk en verstandig man zijn geweest, want hij schijnt aan al
zijne kinderen het onderwijs te hebben doen geven, dat de gewone school
aanbood. Christophorus had goed leeren lezen, schrijven en rekenen. Ook
had hij eenige vorderingen gemaakt in het Latijn en het teekenen. Zelfs
bezocht hij de hoogeschool te Pavia, waar hij zich vlijtig oefende
in meetkunde, aardrijkskunde, sterrekunde en zeevaartkunde.
Hij was nog maar 14 jaren oud, toen zijn vader hem aan de zorg van een
bloedverwant, wiens naam Colombo was, toevertrouwde, en met wien hij
zijn eerste zeereis deed. Deze ervaren zeeman was reeds zeer beroemd
wegens zijn bekwaamheid in de zeevaartkunde. Bij de Genueesche vloot
bekleedde hij den rang van admiraal en voerde hij het bevel over
een eskader.
De zeeën werden toen zoo onveilig gemaakt door zeeroovers, dat elk
koopvaardijschip goed van wapenen moest worden voorzien, om dadelijk
strijdvaardig te wezen. Al weten wij niet, wat Columbus op zijn
eerste zeereis wedervoer, toch is ’t bekend, dat zij een oorlogstocht
was. Colombo zeilde als bevelhebber van een eskader van Genua uit,
om koning René, die zijn rijk trachtte te heroveren, ter hulp te
snellen. Dit gebeurde in 1459. De oorlog duurde vier jaren. Het
eskader van Colombo werd om zijn onverschrokkenheid zeer geprezen.
Later gaf Christophorus Columbus in een brief aan Ferdinand en Isabella
een kort verhaal van een tocht, dien hij gedaan had om een galei
uit de haven van Tunis te verjagen. Zijn scheepsvolk had bij toeval
vernomen, dat de galei door twee andere schepen beschermd werd, en
daardoor was het zoo beangstigd geworden, dat het weigerde den tocht
voort te zetten. Schijnbaar willigde Columbus hunne wenschen in,
en zij verkeerden dan ook in de meening, dat hij besloten had terug
te keeren ten einde versterking te halen. Hij veranderde echter van
koers, en haalde alle zeilen op. Weldra viel de nacht in. Toen de
morgen aanbrak, zeilde het schip de haven in, waarin de galei lag.
De uitslag is onbekend, maar het voorval herinnert ons levendig de
nog belangrijker krijgslist, waartoe hij later zijn toevlucht nam,
ten einde zijne moedelooze schepelingen aan te vuren, om de reis over
de onstuimige zee naar de nieuwe wereld voort te zetten. Destijds
werd de Atlantische Oceaan zoo goed als niet bevaren. Eenige weinige
ondernemende zeelieden waren langs de kusten van Noord-Europa
gevaren, en zuidwaarts naar de westkust van Afrika gestevend. Maar
de wereldhandel bepaalde zich hoofdzakelijk tot de Middellandsche
zee. Dat waren dagen van ruw geweld, wetteloosheid en misdaad.
Elk koopvaardij schip was genoodzaakt wapenen te voeren. Zeeroovers,
wier schepen menigmaal heele vloten vormden, maakten alle zeeën
onveilig. Ieder zeeman moest wel een soldaat wezen, altijd klaar,
om naar de wapenen te grijpen, ten einde een aanvallenden vijand
af te slaan. Onder zulke omstandigheden werd Columbus gevormd. Van
zijne vroegste zeetochten is ons niets bekend en wij weten alleen,
dat hij een groot deel der toen bekende wereld doorkruiste. Zoo
bezocht hij o.a. Engeland, en beploegde zijn voorspoedige kiel de
wateren van de Noordzee, tot hij de noordelijke kusten van IJsland
bereikte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij daar losse geruchten
vernam van de tochten, welke, eeuwen vroeger, de Noormannen naar de
door het ijs omgeven kusten van Labrador en Groenland hadden gedaan,
en van de eindelooze meer zuidwaarts liggende kusten, van welker
uitgestrektheid niemand zich een denkbeeld maken kon. Later schreef
hij in een zijner brieven:
"Veertig jaren lang heb ik de geheimen der natuur trachten uit te
vorschen, en waar ooit een schip zich vertoonde, daar ben ik geweest."
Tijdens zijn omzwervingen kwam hij ten laatste te Lissabon, de
hoofdstad van Portugal, aan, toen een der beroemdste zeehavens van
de wereld. Hij was toen 35 jaren oud.
Uit de levensbeschrijving, door zijn zoon opgesteld, leeren wij, dat
hij ijverig studeerde. Hij las de werken van Aristoteles, Seneca en
Strabo. Menig middernachtelijk uur werd gesleten met het lezen van de
nasporingen, door Marco Polo en Sir John Maundevile of Mandeville in
het werk gesteld. De vraagstukken, waartoe deze ontdekkingen aanleiding
gaven, bepeinsde hij ernstig. Maar het boek, dat hem het meest boeide
en zijn geest geheel en al bezighield, was de Wereldbeschrijving, de
"Cosmographie", van kardinaal Aliaco. Het was een zonderling mengsel
van dwaasheid en geleerdheid, van echte wetenschap en zotte fabelen.
Columbus trof te Lissabon vele zeelieden aan, verstandige, opmerkzame
menschen, die alle bekende zeeën hadden bevaren. Hen hoorde hij van
drijfhout spreken, dat gevonden was geworden, en zeer onderscheiden
was van den plantengroei, dien men in Europa kende. Ruw snijwerk
had men uit de zee opgevischt, dat blijkbaar met zeer onvolkomen
gereedschap was bewerkt. En, wat het vreemdst van alles scheen,
er waren twee lijken op de Azoren aangespoeld, van een menschenras
afkomstig, hoedanig noch in Europa noch in Afrika werd gevonden.
Langzamerhand schijnt bij Columbus het denkbeeld te zijn opgerezen,
dat er op den aardbol nog andere en uitgestrekte landen moesten
wezen, welk de Europeanen nog niet kenden. Want slechts een klein
gedeelte van onze aarde was toen nog maar door beschaafde menschen
bezocht. Wanneer Columbus alleen in zijne kamer zat, en zijn oogen op
de ellendige kaarten van dien tijd rustten, dan werd zijn geest wakker
en teekende hij met het potlood in de hand de hem bekende oevers der
Middellandsche zee, benevens de minder bekende kusten van Afrika van
kaap Blanco af tot kaap Vert toe. In zijn verbeelding ging hij moedig
den Atlantischen oceaan op tot de Azoren toe, doch hier vond hij een
eindpaal, omdat verder alles nog onbekend en onbevaren was.
Het door hem bepeinsde plan jaagde hem het bloed naar de wangen. Wat
ligt, vroeg hij zich af, in dien uitgestrekten, grenzenloozen oceaan
aan den anderen kant? Is de aarde een plat vlak? Gesteld, dat dit zoo
is, maar waar is dan het einde, en wat ligt aan de andere zijde? Is de
aarde een bol? Als zij dat is, hoe groot is die bol dan? Liggen er in
dien onmetelijken oceaan andere landen? Zou het voor een onverschrokken
avonturier mogelijk zijn dien bol om te varen?
In 1477 stak Columbus in zee, om het westen te vinden langs den
ouden, noordelijken weg, die langs IJsland liep. Waarschijnlijk had
hij van de ontdekkingen gehoord, welke de Noormannen in die richting
hadden gedaan, en was ’t hem bekend, dat men den afstand van Europa’s
noordelijkste punten tot de Aziatische stranden niet groot rekende.
Alvorens de groote onderneming uit te voeren, deed hij eerst
onderscheidene kleine zeetochten. Zuidwaarts bezocht hij Madera,
de Kanarische eilanden en de kust van Guinea. De wegen, door de
Portugeesche zeevaarders gevolgd, ging hij ijverig na, en maakte zich
vertrouwd met al wat zij van de Azoren en de westelijkste eilanden
hadden ontdekt.
Ook zocht hij den noordelijken weg op, en waagde zich zelfs op eenigen
afstand ten westen van IJsland. Wellicht had hij het verhaal van de
Noormannen gelezen van Groenland, Markland en Vineland. Het laatste
schip was van Groenland naar IJsland teruggekeerd ongeveer honderd
jaren vóór Columbus dit eiland aandeed. Malte Brun onderstelt, dat
Columbus in Italië van de heldendaden dezer koene zeelieden kennis
gekregen had, want Rome werd toen als het middelpunt van de wereld
beschouwd, en die iets belangrijks hooren wilde, moest daar zijn.
Een Deensch schrijver meent, dat Columbus, die alle mogelijke
boeken en handschriften trachtte te krijgen, om verhalen van
zeetochten en ontdekkingen te lezen, de geschriften van den bekenden
geschiedschrijver Adam van Bremen in handen gekregen had, waarin de
ontdekking van Vineland met nadruk werd vermeld.
Deze vermoedens hebben hem ongetwijfeld aangespoord tot de reis naar
IJsland, en hij bracht, volgens het verhaal van zijn zoon Fernando,
niet alleen eenigen tijd op IJsland door, maar zeilde nog 300 mijlen
verder, waardoor hij Groenland haast moet hebben kunnen zien.
Was Columbus met de belangrijkste ontdekkingen der Noormannen bekend,
dan kan men zijn vast geloof aan de mogelijkheid, om een westelijk
gelegen land weer te vinden, en zijn grooten ijver, om dat te doen,
gemakkelijk verklaren. Zijne latere ontdekking van Amerika mogen
wij dan veilig als de voortzetting beschouwen van hetgeen de oude
Scandinaviërs hebben verricht.
Columbus ging na, hoeveel tijd de zon noodig had, om van de eene zijde
van de Middellandsche zee naar de andere te komen, welke afstand 2000
mijlen bedraagt. Hieruit leidde hij af, welke ruimte de zon dan in 24
uren kon doorloopen. Dergelijke vraagstukken verruimden niet alleen
zijn geest, maar leerden hem ook juist denken, en onttrokken hem aan
den nadeeligen invloed van dwaze hersenschimmen.
Deze opwekkende studie eischte algeheele toewijding. Aan pretmaken
dacht hij niet meer, en evenzeer werd het bevredigen van zijn eerzucht
aan banden gelegd. Praatte hij met zijn vrienden en kennissen, dan was
de studie altoos het onderwerp van het gesprek. Zijn studeervertrek
was soms vol zeelieden, die mededeeling kwamen doen van wat zij gezien
of ook maar alleen zich verbeeld hadden.
Langzamerhand kreeg Columbus de overtuiging dat de aarde bolrond moest
zijn en dat men derhalve, steeds westwaarts zeilende, de kusten van
Azië bereiken moest. Van de grootte der aarde had hij, door de snelheid
in aanmerking te nemen, waarmede de zon zich schijnbaar voortbeweegt,
een vrij nauwkeurige berekening gemaakt. Hij vermoedde wel niet, dat
er tusschen Europa en Azië land ligt, maar hij meende toch, dat hij de
kusten van Azië vinden zou, daar, waar hij later de Nieuwe wereld vond.
Onbepaalde berichten van het groote eiland Japan, dat zich ten Oosten
van Azië zou uitstrekken, waren in Europa in omloop. Columbus meende,
dat het op de plaats lag, waar hij naderhand Cuba vond.
"Deze groote rijken," zeide Columbus, "zijn met onsterfelijke wezens
bevolkt, voor wier verlossing Christus een bloedig offer bracht. Mij
heeft God de taak opgedragen hen te zoeken, en hun het evangelie
te brengen. De rijkdom van Indië is spreekwoordelijk, en ik zal
er onuitputtelijke schatten vinden, waarmede men zich legers kan
verschaffen. Met deze legers kunnen we het graf van den Zaligmaker
der wereld verlossen uit de handen der ongeloovigen, die er geen
eerbied voor hebben."
Columbus was arm. Het was geheel boven zijn macht, zulk een
belangrijken ontdekkingstocht te ondernemen. De meesten hielden hem
voor een half waanzinnigen dweper. Zoo dwaas als men een voorstel
vinden zou, om de maan te bezoeken, zoo ongerijmd vond men zijn
plan. Te vergeefs klopte hij aan de deuren van rijke lieden aan. Toch
trof hij verstandige menschen aan, die zijne plannen onderzochten,
en ze een ernstig onderzoek waardig keurden. Met behulp van zulke
getuigen, hoopte hij zich de medewerking van eenige Europeesche hoven
te verzekeren. Een machtige staat kon hem gemakkelijk de noodige
middelen verschaffen, en hem dat gezag en die waardigheid verleenen,
welke hij voor de uitvoering zijner plannen werkelijk meende noodig
te hebben. In vergoeding daarvan zou het hof rijk en machtig worden,
en zooveel roem behalen, dat het door geheel Europa werd benijd.
Het eerst wendde hij zich tot de regeering in Portugal. Koning Johan
II ontving hem in een plechtig gehoor, en luisterde aandachtig en
schijnbaar vol belangstelling naar zijn plannen. Columbus beschouwde
zich volstrekt niet als iemand, die nederig iets aan den voet van een
koninklijken troon komt afsmeeken. Veeleer hield hij zich voor iemand,
wien God belangrijke openbaringen had gedaan, welke den rijkdom en den
roem van den grootsten monarch zouden vermeerderen, en die oorzaak
zouden zijn, dat zich een nieuw tijdperk voor de wereld opende. Tot
loon voor al zijn verdiensten verzocht hij om tot onderkoning
aangesteld te worden over al de landen, die hij ontdekken zou, en om
het tiende deel van al de winsten, welke het opleveren mocht.
Terwijl hij zich in Lissabon ophield, raakte hij in kennis met een
Italiaansche jonge dame, die Felipa heette en bij hare moeder inwoonde,
welke weduwe was. Wel was zij van aanzienlijke afkomst, maar zij bezat
geen fortuin. Hun huwelijk volgde spoedig, en het schijnt gelukkig
te zijn geweest tot de dood hen scheidde. Zij kregen een zoon, die
Diego heette.
De koning vond de eischen van Columbus buitensporig. Deze toch was een
arme, onbekende zee-kapitein, zonder rang, geld of vrienden. En toch
stelde deze vreemde, ernstige man, met zijn onstuimige geestdrift,
zich voor in de rijen der koningen plaats te nemen. Met een beleefde
buiging liet de vorst den eerzuchtigen zee-kapitein uit zijn gehoorzaal
vertrekken.
De waardige en ernstige houding van den man, en het volkomen
vertrouwen, dat hij in de juistheid zijner inzichten openbaarde,
hadden evenwel een diepen indruk op den koning gemaakt. Hij kon
de gedachten niet van zich zetten, welke hem medegedeeld waren
geworden. Na eenigen tijd over de zaak nagedacht te hebben, riep hij
een Raad bijeen van de geleerdste mannen te Lissabon, en stelde hem de
zaak voor. Rijpelijk werd alles overwogen. Eenigen van de uitstekendste
leden van dien Raad lieten zich gunstig over de plannen van Columbus
uit. Maar de uitspraak van de meerderheid was er beslist tegen. Men
berichtte den koning, dat zijne plannen zoo ongerijmd waren, dat ze
verdere bespreking onwaard moesten heeten.
Toch was de koning onvoldaan, want de door hem verkregen indruk was
te sterk, om zoo maar gemakkelijk uitgewischt te worden. Bovendien
verminderde het feit, dat de grootste wijsgeeren Columbus’ meeningen
deelden, den indruk van het ingediende Verslag. Toen had de koning
de laagheid tot een zeer onteerenden maatregel over te gaan. Hij zond
heimelijk een vloot uit. Deze heette naar de Kaap-Verdische eilanden
te gaan. Gebruik makende van al de inlichtingen, die Columbus hem
gegeven had, gaf hij den kapitein het heimelijk bevel, om maar moedig
het spoor te volgen, dat Columbus aangegeven had, hopende op deze
wijze zelf de ontdekker te worden. De kapitein volgde de bevelen op,
maar zijn matrozen verloren den moed, daar zij niet wisten, waar zij
op die onbekende wateren heengingen.
Een verschrikkelijke storm brak op den Oceaan los, waardoor hun vrees
tot het uiterste gedreven werd. Met luider stem verklaarden allen,
dat zij weigerden aan zulke gevaren het hoofd te bieden, zoodat de
kapitein genoodzaakt was toe te geven en terug te keeren.
Columbus werd deze schandelijke handelwijze gewaar, die grootelijks
zijne verontwaardiging had opgewekt. Met zijn toorn vermengden zich
aandoeningen van teleurstelling en droefheid, dat het koninklijk hof,
waartegen hij gewoon was geweest met eerbied op te zien, hem zoo
trouweloos had behandeld.
Hij was toen een weduwnaar, en bezat alleen zijn zoon Diego. Zijn
tijd aan de studie en de bevordering zijner ontdekkingsplannen
wijdende, had hij geen gelegenheid, voor zijn geldelijke belangen te
zorgen. Hij voorzag in zijn nederig onderhoud door het vervaardigen
en den verkoop van kaarten. Met Diego verhuisde hij toen naar Genua,
zijn geboorteplaats. Hier moest hij de waarheid van het spreekwoord
ondervinden, dat een profeet in zijn eigen vaderland niet geëerd wordt.
Hij verzocht het Bestuur der stad om hulp voor een onderneming, welke
men algemeen niet alleen noodlottig noemde, maar waarvan de geleerden
te Lissabon reeds gezegd hadden, dat ze geen aandacht waard was.
"En wie is die Christophorus Columbus?" werd gevraagd. "Wel, hij is
een zeeman uit onze stad", was het antwoord; "de zoon van Dominico
Colombo, een wolkammer. Hij heeft twee broers en een zuster, die hier
in nederige omstandigheden verblijf houden."
Dit maakte aan de zaak bij het trotsche Genueesche hof een einde. Het
verzoek van Columbus werd met verachting afgewezen. Hij kon niet
eens een gepast gehoor krijgen. Nu was hij wel arm, en alleen de hoop
en een aangeboren geestkracht moesten hem staande houden. Eindelijk
besloot hij, na nog vele plannen overdacht te hebben, zijn geluk aan
het Spaansche hof te beproeven.
Hij nam zijn zoon Diego mee, scheepte zich te Genua in, en landde na
een korte vaart te Palos, een kleine Spaansche zeehaven aan den mond
van de Tinto. Ferdinand en Isabella waren toen juist in een oorlog
gewikkeld met de Mooren. Beiden bevonden zich toen met hun leger te
Cordova, bijna honderd mijlen ten noord-oosten van Palos. Daar al hun
krachtsinspanning voor het voeren van den oorlog noodig was, mocht het
oogenblik ongunstig heeten hen te willen overhalen tot een onderneming,
die veel geld moest kosten, en daarenboven twijfelachtig was.
Met een lichte beurs en een bezwaard gemoed begaf Columbus zich
op weg, om de vele mijlen af te leggen, die hem van de koninklijke
legerplaats scheidden. Hij was bleek, mager en het was hem aan te
zien, dat zorg hem had verteerd. Zijn kleeren waren kaal. Koffers en
valiezen behoefde hij niet mee te sjouwen; alleen droeg hij een klein
pakje aan zijn zijde. De kleine Diego liep aan zijns vaders hand mee.
Zij waren nog maar anderhalve mijl van het dorp Palos af, toen zij
bij een hecht steenen klooster kwamen. Diego had honger en dorst,
en daarom ging de vader in het klooster, om een beker water en een
snede brood voor zijn kind te vragen.
Heel toevallig kwam de prior van het klooster op dat oogenblik aan
de deur. Het beleefd verzoek, de waardige houding en de verstandige
trekken van den vreemdeling maakten diepen indruk op hem. Hij noodigde
Columbus uit binnen te gaan, knoopte een gesprek met hem aan, en
stelde niet slechts groot belang in de nieuwe plannen, die hij te
berde bracht, maar werd door de kracht zijner redeneering volkomen
overtuigd, dat er waarheid in lag. Hij hield Columbus eenige dagen bij
zich, verleende hem al de gastvrijheid, die het klooster schenken kon,
en noodigde hem uit, om met hem een arts uit de buurt op te zoeken,
die in wetenschap uitblonk.
Columbus, de prior en de dokter brachten in de cellen van het stille
klooster La Rabida vele uren door met de vraag of de aarde een bol
of een plat vlak was, en of het, door steeds westwaarts te zeilen,
mogelijk zou zijn het vasteland van Azië te bereiken, dat ver weg in
het Oosten lag.
De prior van het klooster was een geleerd man en had grooten invloed
aan het hof, daar hij, zooals dat in die dagen veelal het geval was,
een hoogen rang bekleedde. Hij toonde zulk een levendige belangstelling
in Columbus en zijn onderneming, dat hij hem overhaalde zijn zoon
Diego in het klooster ter opvoeding achter te laten, en gaf hem brieven
van aanbeveling mede voor den biechtvader van koningin Isabella.
Door dit bezoek en door alles, wat voor zijn kind gedaan was, zette
Columbus de reis naar Cordova vroolijk en opgeruimd van geest voort.
Het militair vertoon, dat Columbus in het kamp te Cordova zag, was
verbazingwekkend. De luister van het hof van Castilië en die van het
hof van Arragon waren er vereenigd. De geheele ridderschap van Spanje
was op dat groote veld bijeen, en prachtig uitgedost met schitterende
wapenrusting en prachtig gevolg. De tenten stonden in de rondte,
en ’t was of men een groote stad zag. Blinkende wapens en wuivende
pluimen zag men overal, terwijl de muziek van de militaire troepen
de lucht vervulde.
Maar al deze pracht was niets voor Columbus in vergelijking met de
plannen, waarvan zijn geest vol was. Hij gaf zijn brief aan Fernando
Talavera, den kapelaan van de koningin. Talavera was een trotsch
prelaat, koel en onspraakzaam. Ternauwernood ontving hij Columbus
beleefd, luisterde met blijkbaren weerzin naar het verhaal van het
plan, dat hij kwam voorstellen, en liet hem gaan met de woorden:
"Mij dunkt, dat het zeer indringend zou zijn thans, nu hare majesteit
door al de zorgen voor dezen veldtocht gedrukt wordt, met een plan
bij haar te komen, dat in de lucht hangt."
De verschijning van Columbus was alles behalve indrukwekkend. Zijn
kleeren zagen er armoedig en kaal uit, en hij was door teleurstelling
terneergeslagen. Maar het gerucht zijner plannen ging als een loopend
vuurtje door het kamp. De hovelingen wezen spottend met den vinger
naar den kalen avonturier als een, die onmetelijke rijken bezat met
millioenen inwoners, die hij aan de koningen van Spanje ten geschenke
wilde geven.
Columbus wist niet, wat hij doen of waar hij gaan moest. Hij bleef
te Cordova talmen, terwijl het Spaansche leger optrok, om de laatste
schuilplaats van de Mooren in de provincie Granada aan te tasten. Hij
hield zich overtuigd, dat de overwinning de koninklijke banieren volgen
zou, en dat er dan misschien gelegenheid zou zijn, om met zijn verzoek
voor den dag te komen. In den herfst keerden Ferdinand en Isabella
in triomf terug. Zij vestigden hun hof voor den winter te Salamanca,
bijna 300 mijlen van Cordova. In dien tusschentijd vond Columbus,
die geen gehoor bij de koningin kon krijgen, een sober bestaan in
het teekenen van landkaarten en plans.
De tooneelen, die toen te Cordova en in zijn omstreken voorvielen,
hadden de beroemdste mannen uit alle deelen van Spanje derwaarts
gelokt. Dit bood Columbus de gelegenheid aan, om met de geleerdste
mannen in aanraking te komen. Schrandere personen ontvingen een
diepen indruk van de waardigheid waarmee hij zich gedroeg, van de
diepte zijner overtuiging, van zijn uitgebreide kennis en de boeiende
welsprekendheid, waarmede hij zijne meeningen bepleitte. Soms had
hij het genoegen den bijval van den een of ander te verwerven.
Een verstandig en vermogend heer begon zooveel belang in Columbus te
stellen, dat hij hem uitnoodigde ten zijnent te komen en zijn gast
te zijn. Deze heer stelde hem aan den nuncius van den paus, Antonio
Geraldini, en aan andere heeren voor, die in den staat of aan ’t hof
hooge betrekkingen bekleedden.
Terwijl hij zoo in nutteloos oponthoud zijn tijd te Cordova zoek
bracht, verbond hij zich met een dame dier plaats. Zij heette Beatrix
Enriquez en was van adel, maar niet rijk. Zij werd de moeder van zijn
tweeden zoon, Fernando, die in het volgende jaar, 1487, geboren werd,
en die, na zijn dood, zijn levensgeschiedenis schreef.
Columbus volgde het hof naar Salamanca. Hier werd hij aan den
aartsbisschop van Toledo voorgesteld, den grootkardinaal van
Spanje. Deze beroemde kerkvorst had zooveel invloed bij den koning en
de koningin, dat men hem den derden koning noemde. Meer en meer werd
hij zoo overtuigd van de kracht der bewijzen, waarmee Columbus zijn
plannen verdedigde, dat hij er in toestemde hem in de koninklijke
tegenwoordigheid te brengen.
Het eerst werd hij waarschijnlijk bij Ferdinand toegelaten. De
koninklijke luister kon Columbus niet van zijn stuk brengen, en met
groote welsprekendheid beval hij zijn zaak aan. De koning was een
sluw, scherpzinnig man, dien men niet gemakkelijk onder den invloed
van romantische droomen brengen kon. Hij luisterde met wijsgeerige
koelheid naar den opgewonden pleiter.
De eerzucht van den koning werd krachtig geprikkeld door het denkbeeld
van de grootheid, die Spanje’s deel zou worden, wanneer men in het
doen van ontdekkingen en in het verkrijgen van aanzienlijke winsten
slaagde. Dan zou Spanje een overwicht over alle volken hebben. Maar
Ferdinand was zeer angstvallig en traag in ’t besluiten. Hij riep
een Raad van de geleerdste mannen uit Spanje bijeen, om een onderhoud
met Columbus te hebben, zijn plannen aan een nauwkeurig onderzoek te
onderwerpen en hem verslag van hun bevinding te doen.
De bijeenkomst had in het dominicaner klooster van St. Stephanus,
te Salamanca, plaats. De vergadering, op koninklijk bevel bijeen,
was door het aanzienlijk ledental indrukwekkend. Zij bestond uit
hoogleeraren, uit de hoogste waardigheidsbekleeders in de kerk
en staatslieden van den eersten rang. Ieder gewoon mensch zou er
tegen op hebben gezien, om voor zulk een schaar van de geleerdste
sterrekundigen en wereldbeschrijvers te verschijnen. Columbus was blij,
dat hij gelegenheid kreeg zijn plannen, van welker deugdelijkheid hij
overtuigd was, voor te dragen aan wetenschappelijke mannen, die hem,
hieraan twijfelde hij niet, hun bijval zouden schenken.
Maar spoedig ontdekte hij tot zijn groot verdriet, dat zelfs in het
gemoed van de geleerdste mannen, vooroordeel en bijgeloof over de
macht van het verstand kunnen zegevieren. De wijsgeeren en ook de
geestelijkheid voerden bewijzen tegen hem aan, die nu den spotlust
zelfs van de eenvoudigsten zouden opwekken. De volgende woorden van
Lactantius werden aangehaald, omdat zij Columbus’ bewering van de
rondheid der aarde zegevierend weerlegden.
"Zou er iemand zoo dwaas wezen te gelooven, dat er tegenvoeters
zijn, menschen, die met hun voeten omhoog en met hun hoofd naar
beneden loopen? Dat er een deel van de aarde bestaat, waar alles ’t
onderstboven staat; waar de boomen met de takken naar beneden groeien,
en waar het regent, hagelt en sneeuwt van den grond af naar boven
toe? Het denkbeeld, dat de aarde rond zou zijn, heeft de fabel van de
tegenvoeters in de wereld gebracht; want toen deze geleerden eenmaal
op den dwaalweg waren, verkondigden zij nog meer ongerijmdheden,
waarvan zij de een met de ander verdedigen."
Men verklaarde de plannen van Columbus voor onverstandig, en achtte ze
tevens in strijd met de Schrift. Vol te houden, dat er aan den anderen
kant der aarde menschen woonden, was, werd gezegd, afbreuk doen aan
de geloofwaardigheid van den bijbel. Volgens dit boek stamden alle
aardbewoners van Adam af, derhalve was het onmogelijk, dat sommigen
zoo ver zouden hebben kunnen trekken.
Maar al nam men aan, zoo werd beweerd, dat de aarde rond was, en
dat een schip aan de andere zijde zou kunnen komen, dan zou het toch
nooit terugkeeren, daar er geen wind kon zijn, sterk genoeg, om het
over die onmetelijk groote ronding terug te kunnen brengen.
Deze godgeleerde en wijsgeerige betoogen beantwoordde Columbus met
er waarheden tegenover te stellen, waarmee heden ten dage zelfs de
ongeletterdste vertrouwd is. Ofschoon de vergadering een ongunstig
verslag uitbracht, waren er toch vele leden, die door de woorden van
Columbus zeer getroffen waren. Tot dezen behoorde Diego de Deza, de
latere aartsbisschop van Sevilla. Hij ondersteunde, hoewel vergeefs,
de zaak van Columbus zooveel in zijn vermogen was. De meerderheid
gaf te kennen, dat het zoowel onwaar als kettersch was aan te nemen,
dat er land zou te vinden zijn, als men van Europa naar ’t Westen
zeilde. Zulk een verslag werd door een vergadering van de geleerdste
mannen nog maar vierhonderd jaren geleden uitgebracht.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EERSTE REIS.
De teleurstelling over den uitslag van de Vergadering te Salamanca was
bitter voor Columbus. Maar toch was het plan er door bekend geworden,
zoodat er allerwege in Spanje over gesproken werd. Stond de ongelukkige
avonturier ook al aan allerlei spotternij bloot, er waren ook velen,
menschen van naam en groote bekwaamheid, die zich overtuigd hielden,
dat zijn vermoeden niet met een grimlach behoorde beantwoord te worden.
Terwijl dit belangrijk vraagstuk besproken werd, beschouwde men
Columbus als iemand, die bij het gezantschap aan het hof behoorde. Het
was een tijdperk van groote staatkundige beweging. Alle gemoederen
waren vervuld met den hardnekkigen oorlog tegen de Mooren, die nog
maar altijd voortgezet werd. Gedurende den zomer van 1487 bevonden
de koning en de koningin zich bij het leger, om het gedenkwaardige
beleg van Malaga te voeren. Wegens zijn groote lichaamsgestalte,
kon men Columbus overal zien, maar tevens, dat hij in gepeins, en
bijna hopeloos van de eene tent naar de andere liep, en telkens,
als hij een luisterend oor vinden kon, met zijn verzoek voor den dag
kwam. Er lag iets treffends in het voorkomen van dezen grooten man,
in eenvoudig gewaad, maar tevens met waardige houding, wanneer hij,
te midden van dat militaire praalvertoon, zich zwijgend voortbewoog.
Toen Malaga zich in September overgegeven had, keerde het hof
naar Cordova terug. Achttien maanden lang trok het telkens heen en
weer, omdat de groote strijd dit vorderde. Columbus deelde in al die
verplaatsingen van het hof, nog altijd de hoop koesterende, waarin hij
door eenige trouwe vrienden werd versterkt, dat hij eenmaal bij het
hof gehoor vinden zou. Door den invloed van deze vrienden, mocht hij
in het voorjaar van 1489 van Ferdinand het bevel ontvangen, om een
andere vergadering van geleerden en geestelijken te Sevilla bijeen
te roepen. Op nieuw zag hij zich teleurgesteld. De verschrikkelijke
strijd ontbrandde met nieuwe kracht. Vreeselijke veldslagen, waarbij
zich oproer, menschenslachting en ellende voegden, waren er het
gevolg van. Aller krachtsinspanning was noodig. Aan Columbus en zijn
onbesuisde, twijfelachtige plannen viel niet te denken.
Zoo ging er een afmattend jaar voorbij. Gedurende deze treurige maanden
vertoefde Columbus te Cordova, gelukkig op kosten van het hof. Toen
de lente in ’t land kwam, hielden Ferdinand en Isabella zich bezig
met het maken van de noodige toebereidselen voor een van de grootste
krijgsondernemingen, het beleg n.l. van Granada. Vóór het hof optrok,
deed Columbus een wanhopige poging, om gehoor te krijgen, doch hij
ontving het ontmoedigende antwoord, dat de vorsten vóór den afloop
van den veldtocht aan hem geen aandacht konden schenken. Die slag trof
Columbus geweldig, maar wierp hem evenwel niet ter neer. Nog kon zijn
onbedwingbare geest er niet tot wanhoop door gebracht worden. Hij zette
zich rustig neer, en ging na, welk hulpmiddel hij nu kon aangrijpen.
Men leefde in een tijd van feudale macht en welvaart. De Spaansche
bergen waren bezaaid met de sterke kasteelen van hertogen en
baronnen. Columbus wendde zich tot den hertog van Medina Sidonia. Deze
machtige heer, wiens kasteel een bijna onneembare vesting was, en
geheel uit ijzer en steen bestond, behoorde tot den hoogsten adel in
Europa. Wat de glans van zijn hof en levenswijze betrof, kon hij met
koningen wedijveren. Uit eigen middelen verschafte hij de vorsten een
heel leger ruiters, honderd oorlogsschepen en een groote som geld. De
schitterende onderneming, die Columbus wilde doen, viel voor een poos
in den smaak van den hertog, doch bij nader inzien verwierp hij het
plan als den droom van een dweper.
Men zegt, dat Columbus toen bij den hertog van Medina Celi ging
aankloppen. Hier werd hij aanvankelijk gunstig ontvangen. De hertog
stond op het punt drie of vier schepen voor den tocht uit te rusten,
maar hij haalde zich in het hoofd, dat de Spaansche vorsten het hem
euvel konden duiden, wanneer hij zulk een grootsche onderneming op
eigen kosten deed. Daarom liet hij Columbus gaan.
Zich zoo bedrogen ziende, besloot Columbus zijn geluk bij het Fransche
hof te beproeven. Hij had nu een aantal invloedrijke en vermogende
vrienden, die ongetwijfeld hun beurs voor zijn bescheiden eischen
zouden openen. Vóór hij op zijn lange reis naar de Fransche hoofdstad
de Pyreneeën overtrok, bezocht hij eerst nog zijn zoon Diego in
het klooster van La Rabida, bij Palos. Hij legde de reis te voet of
op een muilezel gezeten af. Hadden zijn vrienden hem al een beetje
geld gegeven, zeker is het, dat hij de grootste zuinigheid noodig
achtte. Hij moest nog een lange en kostbare reis doen, en het was
nog onzeker, hoe hij aan het trotsche hof van den Franschen koning
zou worden ontvangen.
In een eenvoudig gewaad, door de reis met stof bedekt, stond Columbus
vóór de deur van het klooster. Maar noch stof noch kale kleeren konden
de aangeboren waardigheid van den man verbergen. Hij was van nature
een edelman, die, om zijn aanspraken te rechtvaardigen, den glans van
kostbare kleeren niet noodig had. Sedert hij voor de eerste maal aan de
deur van dat klooster stond, om wat drinken voor zijn kind te vragen,
waren er zeven jaren van aanhoudende inspanning en teleurstelling
voorbij gegaan. Deze verdrietelijkheden en inspanningen hadden zijn
lichaam gekromd en zijn haren vergrijsd. Zijn wangen waren gerimpeld,
wat zoo licht plaats heeft, wanneer men teleurgesteld wordt en zwaar
moet denken.
De waardige prior van het klooster ontving den vermoeiden avonturier
met ware, broederlijke vriendelijkheid. Hij was geheel en al overtuigd
geworden, dat Columbus’ plannen verstandig waren, en de dadelijke
en ernstige aandacht van het Spaansche hof verdienden. Toen hij de
zekerheid had, dat Columbus over een bezoek aan Frankrijk dacht,
ontwaakte zijn vaderlandsliefde en maakte hij zich zeer beangst,
dat Spanje den roem van de groote onderneming derven zou. Dadelijk
liet hij den geleerden arts ontbieden, van wien wij vroeger spraken,
en deelde hem zijn vrees mee. Ook werden vele andere invloedrijke
vrienden uitgenoodigd, om met Columbus over die allergewichtigste
zaak te beraadslagen, welke den prior voorkwam zoo belangrijk voor
den roem van Spanje te zijn.
In de nabijheid woonde een heer, die om zijn familie, zijn groot
vermogen en zijn bekendheid met zeezaken vermaard was. Deze man
heette Martin Alonzo Pinzon en was door zijn ondervinding in staat,
om de kracht van de door Columbus aangevoerde gronden naar waarde
te schatten. Met vuur omhelsde hij zijn zaak, en beloofde hem niet
alleen geldelijken bijstand, maar tevens zijn invloed, om de zaak nog
eens weer voor hunne majesteiten Ferdinand en Isabella te brengen. De
prior van het klooster was in vroegere jaren kapellaan van de koningin
geweest. Hij schreef haar een dringenden brief, en beweerde, dat
Spanje zulk een schoone gelegenheid niet mocht verliezen, om boven
alle landen uit te steken.
In die dagen kende men nog geen postwagens en evenmin de gemakken,
die de post nu geeft. Een ouden afgeleefden zeeman werd de brief
toevertrouwd, en dien zond men naar Santa Fé, waar het hof, tijdens het
beleg van Granada, toen verblijf hield. De afstand bedroeg ongeveer
150 mijlen. De bode kwam er goed en wel aan, en overhandigde den
brief aan de koningin.
Niettegenstaande al de zorgen, welke toen haar geest vervulden,
kreeg Isabella er een diepen indruk van. Zij gaf een bemoedigend
antwoord mede, en drong er sterk op aan, dat haar geachte vriend,
de prior van het klooster, dadelijk bij haar zou komen.
Dit antwoord verlevendigde aanstonds weer de hoop in ’t hart van
Columbus, en bracht groote vreugde in den kleinen kring te La
Rabida. Het was midden in den winter, en koude winden woeien over
de naakte bergen en kale vlakten, ook van zuidelijk Spanje. Maar
onverwijld besteeg de prior den muilezel, en sukkelde langs den
eenzamen weg voort naar het hof.
Hartelijk zelfs mocht de ontvangst heeten, die de koningin haar
vroegeren kapellaan bereidde. Ofschoon zij teruggetrokken was en
zich niet uitliet, sluimerde er onder dat koele uiterlijk warme
genegenheid. Zij luisterde met instemming naar de woorden van den
prior. Daar hij een geleerd man was, en door vertrouwelijken omgang
met Columbus diens gedachten kende, was hij de rechte man, om zijn
plannen op de duidelijkste wijze voor te dragen. De koningin had tot
nog toe geen aandacht aan de zaak gewijd, want ofschoon de koning en
de vergadering van geleerden ermee in kennis waren gesteld, tot haar
had men zich nog nooit rechtstreeks gewend.
De lezer zal zich herinneren, dat Ferdinand alleen koning van Arragon
was. Isabella was koningin van Castilië, en had een eigen inkomen,
leger en hof. Dadelijk besloot zij Columbus te beschermen. Zij liet
hem halen, opdat hij zich onmiddellijk naar Santé Fé begeven kon. Alzoo
geroepen, om een bevel van de koningin uit te voeren, zond zij hem een
voldoende som geld tot aankoop van een muilezel en een passend gewaad,
om aan ’t hof te verschijnen en ter bestrijding van de reiskosten.
Toen de prior met deze aangename tijdingen te La Rabida terugkwam,
verheugde men zich daar zeer en nieuwe hoop straalde in de levensmoede
ziel van Columbus. Er werd een mooie muilezel gekocht, de reiziger
trok een net pak aan, en draafde weldra, als verjongd en door de hoop
vroolijk gestemd, over de heuvels en door de schaduwrijke dalen van
het schoone Andalusië. Hij kwam nog tijdig genoeg te Granada aan, om
te kunnen zien, dat men de vaandels der Mooren van de muren van het
Alhambra afrukte, ten einde er de vlaggen van Ferdinand en Isabella
voor in de plaats te stellen. Het was het schoonste oogenblik in de
regeering van de beide beroemde koningen, en werd als het roemvolste
aangemerkt voor de Spaansche wapenen.
Te midden van al die volksvreugde maakte Columbus zijn opwachting
bij koningin Isabella. Hij nam niet de houding aan van een nederigen
smeekeling, maar van een door God gezonden afgezant, die de nietige
gunsten, waardoor hij zijn plannen ten uitvoer kon brengen, met groote
schenkingen vergold.
Beleefd sprak hij tot de koningin:
"Ik verlang slechts een paar schepen en eenige matrozen, om op den
oceaan tusschen de 2 à 3 duizend mijlen westwaarts te varen. Ik
zal zoo Uwe Majesteit een korteren weg naar Indië aanwijzen, en tot
hiertoe onbekende volken leeren kennen, die machtig zijn en verbazende
rijkdommen bezitten. Tot loon vraag ik alleen de aanstelling tot
Onderkoning over de rijken, die ik ontdekken zal, en het tiende deel
van de winsten, die er uit mogen voortvloeien."
De hovelingen van de koningin waren verwonderd, want de eischen
van Columbus kwamen hun buitensporig en vermetel voor. In hun oog
was hij maar een arme zee-kapitein, dien niemand kende en die,
daar hij geen vrienden had, de hulp der koningin kwam inroepen,
waardoor hij in staat zou zijn een zeereis te doen. En hij vroeg
toch ter belooning rijkdom en eer, waardoor hij een rang naast
de kroon zou innemen. Onder den invloed dezer voorstellingen van
invloedrijke hovelingen, riep de koningin Columbus weer aan ’t hof,
en stelde hem matiger eischen voor. Maar hij bleef op zijn stuk staan,
en wilde niets laten vallen. Het denkbeeld van zich te gaan inschepen
voor een grootschen tocht als een bloot werktuig van een vorst, een
huurling, streed met zijn trotschen aard. Isabella, verdrietig over
zijn weigering, zag van Columbus en zijne eischen af.
Dit was het droevigste uur in het leven van den grooten ontdekker. Geen
ster, als voorbode van een mogelijken dageraad, vertoonde zich aan de
kimmen. Verdrietig zadelde hij zijn muilezel weer, en nam langzaam en
moedeloos de terugreis naar zijn vrienden te La Rabida aan. Hij dacht
er over na, of het wel de moeite loonen zou naar Frankrijk te gaan,
en daar zijn dikwijls versmade diensten aan te bieden.
Maar toen hij het kabinet van de koningin verliet, was zij zeer
ontsteld. Het karakter van dezen man en zijne grootsche plannen hadden
den diepsten indruk op haar gemaakt. Zij kon de gedachten, door hem
opgewekt, niet verdrijven. Als zij naging, welk verlies Spanje lijden
zou, wanneer een ander hof zijn diensten aanvaardde, en zijn plannen
niet ijdel bleken te wezen, dan had zij geen rust. Toevallig kwam
juist op dat oogenblik Ferdinand in haar kabinet. Zij deelde hem
haar zorg mee, waarop hij zeide: "De koninklijke schatkist is door
den oorlog geheel uitgeput." Voor een oogenblik zweeg de koningin en
dacht over de zaak na. Op eenmaal rijpte een onveranderlijk besluit
in haar geest. Met geestdrift riep zij uit: "Ik zal ten behoeve van
mijn eigen kroon van Castilië de onderneming doorzetten en mijn eigen
juweelen verpanden, om het noodige geld te krijgen."
De morgenster was voor Columbus opgegaan, maar hij had haar niet
gezien, omdat hij de oogen niet opwaarts, maar naar den grond geslagen
had. Op dat oogenblik zwoegde hij in het zand, en had nog maar eenige
mijlen van den weg afgelegd. Toen hij een donker pad tusschen de bergen
in wilde slaan, hoorde hij een stem achter zich. Hij keerde zich om,
en zag een hoveling in allerijl naderen. De bode verzocht hem uit
naam van de koningin, om terug te keeren.
Een oogenblik aarzelde Columbus, of hij aan het bevel gehoorzamen
zou. Niets dan teleurstelling was zijn deel geweest, en had hem er
toe gebracht, het Spaansche hof volstrekt niet meer te vertrouwen. Het
kwam hem voor, dat beide vorsten, onwillig om hem in zijn onderneming
bij te staan, nog minder hebben wilden, dat hij in dienst van een
anderen monarch kwam, zoodat het gebeuren kon, dat een andere kroon
den roem verwierf, dien Spanje verworpen had. Aangezien de renbode
hem echter de verzekering gaf, dat de koningin hem in ernst gaarne
weer wilde zien, wendde hij den teugel en reed terug, om een nieuw
onderhoud met Isabella te hebben.
Was de koningin traag in het besluiten, vlug was zij in de uitvoering
er van. Aanstonds maakte zij aan Columbus bekend, dat zij van harte al
zijn eischen inwilligde, en dadelijk bereid was tot een voegzamen tocht
mede te werken. Hij werd benoemd tot Admiraal en tot Onderkoning van al
de landen, die hij ontdekken zou, en een tiende deel van de voordeelen,
die de reis mocht opleveren, was voor hem. Pinzon verzocht, dat hij
1/8 van de winsten genieten zou, als hij ook 1/8 van de uitgaven
voor zijn rekening nam, en deze schikking werd gemaakt. Eindelijk
was dus het gewichtige vraagstuk opgelost. Columbus was misschien de
gelukkigste man van de wereld, toen hij naar Palos terugkeerde. Weinig
zal hij gedacht hebben, dat zijn loopbaan stormachtig wezen zou, vol
teleurstellingen, beleedigingen en ellende, zoodat hij van verdriet
sterven zou.
Onmiddellijk werd er een koninklijk bevel uitgevaardigd, dat de
stad Palos twee kleine schepen leveren moest, voldoende bemand en
van levensmiddelen voor de reis voorzien. Door zijn vriend Pinzon
leverde Columbus zelf een ander, zoodat hij de onderneming met drie
schepen kon beginnen. Twee van deze schepen waren lichte barken, of,
zooals ze in dien tijd heetten, karveels. Voor de officieren waren er
kajuiten, en bakken voor het scheepsvolk, maar een gemeenschappelijk
dek was er niet. Het derde schip kreeg den naam van Santa Maria,
en moest voor den admiraal dienen. Het was geheel overdekt en telde
16 manschappen. Over de Pinta voerde Martin Alonzo Pinzon het bevel
met 30 man aan boord. De Nina was bemand met 24 matrozen, onder bevel
van Vincent Yanez Pinzon. Alle schepen waren klein en niet grooter dan
honderd ton, en dus zooals de Amerikaansche jachten, waarmee een tocht
over den oceaan gedaan is van New-York naar Cowes, maar wat zelfs nog
in 1867 als een voorbeeld van stoutmoedigheid werd beschouwd. Maar
Columbus vond ze zeer geschikt voor de onderneming. Alle personen,
die den tocht mede maakten, meegerekend was er 120 man.
Naar het volksbegrip was de onderneming uitermate gevaarlijk, bijna
heiligschennend en God verzoekend. Zij werd nog roekeloozer geacht,
dan in onze dagen de poging, om met een luchtballon over den oceaan
te trekken, zou genoemd worden. Het was derhalve moeilijk, om volk te
krijgen. De regeering was dan ook ten slotte genoodzaakt tot geweld
over te gaan, en zeelieden tot den kruistocht te dwingen.
In den vroegen morgen van den 3n Augustus 1492, juist toen de zon uit
de golven van den oceaan opkwam, haalde de kleine vloot de zeilen
op voor den avontuurlijksten en gevaarvolsten tocht, waarvan de
wereldgeschiedenis gewaagt.
Men was te bewogen, om vroolijk te wezen. Geen hoera! werd gehoord,
en luidruchtigheid was verre. Getabbaarde priesters brachten de
zeelieden aan boord. Toen de zeilen ontplooid waren en de zwakke
vaartuigen door een gunstigen wind langzaam uit het gezicht verdwenen,
schreiden en weeklaagden allen, die achtergebleven waren, en hun hart
was door een somber voorgevoel beangst.
Met het eerste gedeelte van den weg, dien Columbus wilde volgen,
was hij zeer vertrouwd. Aanstonds zette hij koers naar de Kanarische
eilanden. Er waaide een frissche, gunstige bries, en alles ging
heel goed. De bemanning der drie schepen bestond, zooals wij vroeger
opmerkten, uit domme en bijgeloovige menschen, waarvan velen tot den
dienst geprest waren. Toen zij de bergen van hun geboorteland achter
zich zagen verdwijnen, werden zij door vrees overmand.
Reeds bij het begin van de reis openbaarden zich teekenen van
ontevredenheid en bijna van oproer. Van een der schepen ging op
den derden dag reeds het roer verloren. Columbus kon op goede
gronden aannemen, dat het door sommige ontevredenen met opzet
was veroorzaakt. Gelukkig wist de bevelhebber door zijn kennis en
ervaring het ongeval eenigszins te verhelpen. Maar toch was het schip
zoo gehavend, dat het alleen met de andere mee kon komen, als de
zeilen ten deele inkrompen. Een reis van zeven dagen bracht hen in
het gezicht van de Kanarische eilanden, en zij hadden dus van Palos
af gerekend, ongeveer duizend mijlen afgelegd. Hier werd Columbus
drie weken opgehouden. Het gehavende schip werd voor onzeewaardig
verklaard. Maar zij kregen gelukkig een ander schip en De Pinta kreeg
een nieuw roer, terwijl men het schip nog sterker trachtte te maken,
ten einde er de reis mee te kunnen doen.
Na een oponthoud van drie weken werden de zeilen voor de tweede
maal geheschen. Nu bevoer men onbekende zeeën, want de Kanarische
eilanden vormden toen de grenzen van de bekende wereld. Nauwelijks
waren de eilanden uit het gezicht, of er ontstond een volkomen
windstilte. Drie dagen lang dreven de schepen zonder vooruit te
komen op de spiegelgladde baren van den oceaan. Op nieuw verloren de
zeelieden den moed.
Op den 9en September kwam er een fiksche bries, die de zeilen
deed zwellen, zoodat zij flink vorderden. Het was Zondagmorgen;
een wolkenlooze hemel en de schijnbaar grenzenlooze Oceaan omringden
hen. Toch was er geen vreugde op de schepen. Alleen werden ontevreden
blikken gezien, morrende woorden gehoord. Columbus deed al wat hij
kon, om de moedeloosheid der zeelieden te verdrijven en hun een
deel van zijn eigen geestdrift in te boezemen. Bemerkende, dat hun
vrees van nimmer weer huiswaarts te kunnen gaan met iedere mijl,
die men vorderde, grooter werd, bedacht hij een list, om nl. dubbele
aanteekening te houden van hun vorderen per dag. De een was voor
hem zelf, en de andere moest aan de zeelieden getoond worden,
om hun den indruk te geven, dat de afgelegde weg veel kleiner was
dan met de werkelijkheid overeenkwam. Dagen van grooten angst en
aanhoudende waakzaamheid gingen langzaam voorbij, terwijl Columbus
met den grootsten spoed het doel trachtte te bereiken, dat hij,
hiervan hield hij zich overtuigd, weldra bereiken zou.
Het is eenigszins zonderling, dat hij geen land meende te zullen
vinden binnen den afstand van omstreeks 3000 mijlen. Nog bevond hij
zich op een watervlak, waarop nooit het oog van een mensch gerust
had. Niemand kon zeggen, welke voorwerpen zich aan hen zouden voordoen.
Columbus stond op het dek en gaf zorgvuldig op alles acht, tot dat
de laatste avondstralen verdwenen. Zoodra de morgen aanbrak, stond
hij alweer op den boeg op wacht. Met de grootste nauwkeurigheid gaf
hij acht op de verandering in de kleur van de lucht, de tint van het
water, den vorm van de wolken en de windrichting. Den 14en September
vloog er des nachts iets vurigs door de lucht, dat slechts een paar
mijlen van hen af in zee viel. Dit vermeerderde grootelijks den angst
van de bijgeloovige matrozen.
Zij kwamen in het gebied der passaatwinden, en werden dagen aaneen
van het oosten naar het westen voortgedreven. Ook dit sloeg hun den
schrik om ’t hart. Nooit meenden zij terug te kunnen keeren. Zij waren
in de heete zone gekomen en vonden de lucht wonderbaarlijk zacht. ’t
Was een genot, die in te ademen. De moed van Columbus werd zeer
opgewekt toen hij groote hoeveelheden drijvend zeegras of wier zag,
dat, dit wist hij, van westelijke kusten moest losgerukt zijn. Op
een van die hoopen gras vingen zij een levende krab. Dag aan dag
blies de regelmatige, aangename wind in de zeilen, terwijl de zee,
zooals Columbus opmerkte, zoo kalm was als de Guadalquivir te Sevilla.
Teekenen van naderend land verlevendigden de hoop van het
scheepsvolk. Een rijke belooning werd dengene toegezegd, die het eerst
land zou ontdekken. Op den avond van den 18en September zag men een
menigte landvogels, die naar het noordwesten vlogen. Ook zag men in
die richting wolken drijven, zooals die gewoonlijk boven het land
hangen. Columbus ging peilen, maar kon geen grond voelen.
Op nieuw werd het scheepsvolk benauwd met het oog op de verbazend
groote watervlakte, die hen thans van het vaderland scheidde. Columbus
had alle gezag noodig en moest veel takt gebruiken, om die vrees weg
te nemen. Gelukkig vermenigvuldigden zich de bewijzen, dat men in
de nabijheid van land kwam. Verscheidene landvogels zetten zich op
het schip neer, en sommigen waren zoo klein, dat zij blijkbaar niet
ver konden vliegen. Toch kon men nog geen grond peilen. Weer werd
de zee doodstil. De oceaan werd zoo glad en effen als een spiegel,
en de zuiderzon scheen zoo fel, dat het dek der schepen begon te
blakeren. Op den 25en rees de zee, zonder de minste verheffing van
den wind, verbazend hoog. Ongetwijfeld was dit het gevolg van een
verwijderden storm, die het water opzette.
De oproerige gezindheid van de schepelingen veranderde met de
wisselingen, die zij hadden. Columbus echter bewaarde een opgeruimd
voorkomen en verloor zijn zelfvertrouwen niet. Sommige misnoegden
bevredigde hij door vriendelijke woorden, anderen hield hij door
bedreigingen in ontzag en eenigen kregen een voorbeeldige straf. Op
nieuw verhief de wind zich een weinig, die wel de oppervlakte der zee
nauwelijks rimpels gaf, maar toch de zeilen deed zwellen. De schepen
bleven zoo dicht bij elkander, dat Columbus gemakkelijk met de andere
officieren spreken kon. Terwijl ze zoo aan ’t praten waren, hoorden
ze op eens een luiden gil van De Pinta. Een man op het achterschip
wees naar het zuidwesten en schreeuwde zoo hard hij kon: "Land,
land! Ik eisch de belooning!" Aller oogen wendden zich naar dien
kant en men zag op een afstand van ongeveer 60 mijlen een bergketen
met wolken bedekt.
Een onbeschrijfelijke geestdrift bezielde al de schepelingen. Zij
klommen in het want, in de masten en keken allen denzelfden
kant uit. Het was laat in den middag. De korte schemering der
keerkringslanden verdween, en nachtelijke duisternis bedekte weldra den
oceaan. Den geheelen nacht door stuurden de schepen op het verwachte
land aan. Met het eerste morgenkrieken stonden allen op het dek. Tot
hun bittere teleurstelling zagen ze niets meer aan den horizon. Geen
zweem van een wolk zelfs was te bespeuren. Toch was de wind gunstig,
de zee kalm en het klimaat heerlijk. Dolfijnen speelden om den boeg;
vliegende visschen sprongen op het dek en de matrozen vermaakten zich,
zoo wordt verhaald, met om het schip heen te zwemmen.
Volgens de eigen berekening van Columbus, was men nu 2022 mijlen
van de Kanarische eilanden af, maar volgens de opgave, die men aan
de matrozen te zien gaf, had men nog maar 1740 mijlen afgelegd. Nog
verliepen er een paar dagen waarop men weinig vorderde, toen er zich
op nieuw een geest van ontevredenheid en verzet openbaarde. Hij werd
evenwel spoedig onderdrukt door de verschijning van groote koppels
vogels en andere aanwijzingen, dat er land in de nabijheid lag.
De verlangende zeelieden maakten dikwijls valsch alarm, en hielden
verwijderde wolken voor bergtoppen. Om dit tegen te gaan, bepaalde
Columbus, dat hij, die land! riep, en men dan nog in geen drie
dagen land zag, alle aanspraak op de belooning verbeuren zou. Men
verhaalt, dat Columbus omstreeks dezen tijd met zijn scheepsvolk de
overeenkomst sloot, dat hij van de onderneming zou afzien, als men
binnen drie dagen geen land ontdekte. Maar voor dit verhaal ontbreken
deugdelijke bewijzen.
Gelukkig wordt dit vertelseltje door het dagboek van Columbus zelf,
dat elken dag met den grootsten eenvoud bijgehouden is geworden,
weersproken, en blijkt het, dat hij op den eigen dag, die aan de
ontdekking voorafging, zijn vast besluit te kennen had gegeven,
om te volharden ondanks alle gevaren en moeilijkheden.
DERDE HOOFDSTUK.
ER WORDT LAND ONTDEKT.
Juist, toen het oproerige scheepsvolk wanhopig begon te worden, kreeg
men het onbetwistbare bewijs dat er dichtbij land was. Andere bossen
gras vond men, zooals aan de kanten van rotsen en rivieren aangetroffen
wordt. Men vischte een tak van een meidoorn op, waaraan nog groene
blaadjes en bessen zaten. Ook vonden zij, en dit gaf nog den meesten
moed, een stuk van een plank en een stok, die keurig besneden was.
Aan boord van het admiraalschip werden geregeld godsdienstoefeningen
gehouden. De admiraal scheen dezen avond bijzonder ernstig gestemd
te zijn. Wel was hij altijd ernstig, bezadigd en bedachtzaam, maar nu
scheen zijn gemoed overstelpt te zijn door de bewustheid, dat hij nu
op het punt stond, om te volvoeren, wat hij levenslang gehoopt had. Op
ernstige wijze sprak hij het scheepsvolk toe, bracht in herinnering,
hoezeer God hen beschermd had, en verzekerde hun, dat zij naar zijn
oordeel nu ongetwijfeld het land naderden, dat hij verwacht had te
zullen vinden. Ja, hij geloofde, dat zij nog dienzelfden nacht aan
land zouden komen. Hij gaf bevel, om goed wacht te houden, en voegde
aan de belooningen van de souvereinen nog de gift van een fluweelen
wambuis toe aan hem, die het eerst de kust zien zou.
Des nachts wakkerde de wind aan en snel kliefde de kleine vloot de
golven. De Pinta zeilde het hardst en was een weinig vooruit. Zeven
en zestig dagen was het nu geleden, dat de Spaansche hooglanden aan
de oostelijke kim verdwenen. Het was de 11e October 1492. Geen wolk
was er aan den tropischen hemel, waaraan de sterren fonkelden, te
zien. Een stevige en frissche bries zweepte de baren voort, die bijna
geen rimpels hadden. De harten van allen waren zeer opgewekt. Bijna
niemand op de drie schepen sliep, en Columbus stond op den boeg van
zijn vaartuig, en keek met een vurig verlangen naar den gezichteinder.
Omstreeks 10 uren trof het flauwe schijnsel van een flambouw zijn
oog. Voor een oogenblik kon men de vlam heel goed waarnemen, en dan
werd zij weer geheel onzichtbaar. Zijn hart klopte van aandoening. Was
het een tochtverschijnsel, een gezichtsbedrog of een licht van het
land? Bevende van opgewondenheid zag hij het licht op nieuw en nu
zeer duidelijk, onbetwistbaar. Aanstonds riep hij Pedro Gutierrez
tot zich, een van de aanzienlijkste heeren van zijn metgezellen. Deze
zag het licht eveneens. Toen riepen zij een derde, Rodrigo Sanchez,
die den tocht meemaakte als vertegenwoordiger en verslaggever van hun
Majesteiten. Maar het licht was weer weg. Spoedig echter zag men het
weer en ook Sanchez zag het. Toch kon het nog wel een tochtverschijnsel
wezen. Een flambouw op het land was hun ook iets onverklaarbaars. In
het dagboek staat:
"Het leek een kaars, die op en neer ging, en Christophorus twijfelde
niet, of het was wezenlijk een licht en op het land. En het bleek ook
waar te wezen, want het kwam van lieden, die met lichten van de eene
hut naar de andere gingen."
Deze schijnsels duurden evenwel maar zoo kort, dat er door de anderen
op het schip niet veel waarde aan werd gehecht, ofschoon Columbus
vast overtuigd was, dat het licht van het land was. Zoo zeilde de
kleine vloot nog 4 uren lang voort, toen er, des morgens te 2 uur,
door een der matrozen van De Pinta, die Rodrigo de Triana heette,
land werd gezien. Een kanonschot van De Pinta kondigde het heuglijk
nieuws, dat er land ontdekt was, aan. Heel spoedig waren de nog wel
donkere, maar zeer duidelijke omtrekken van het land op alle schepen
te zien. De beloofde jaarwedde van 10,000 maravedis aan hem, die het
eerst land zien zou, werd Columbus toegewezen, ofschoon vele meenden,
dat zij Rodrigo de Triana rechtmatig toekwam.
De overige uren van den nacht gingen spoedig voorbij. Helder en
schitterend daagde de morgen, en ontrolde aan het verrukte oog
van Columbus een tooneel, waarbij het paradijs het nauwlijks halen
kon. Daar lag een laag eiland voor hem in de rijkste weelde en bloei
der keerkringsgewesten. De boomgaarden, vlakten en parken der natuur
spreidden zich in alle richtingen uit. Tal van inboorlingen zag men
uit de bosschen komen, en in een toestand van groote opgewondenheid
langs het strand loopen. Zij waren allen moedernaakt. Vermoeid als
de reizigers waren door zooveel weken lang niets dan water te zien,
had het tooneel, dat zij nu aanschouwden, voor hen de bekoring van
een feeënland.
Van elke karveel liet men de boot zakken. Nadat zij bemand waren,
nam Columbus, zeer rijk in purperkleurig gewaad gekleed en met
Castiliaansche pluimen op den hoed, de leiding ervan op zich. Het
spreekwoord zegt: "Op een afstand lijkt alles mooi," maar toen zij
dichter bij land kwamen, werd het gezicht al schilderachtiger en
mooier. De woningen der inboorlingen stonden in de uitgestrekte
boschjes overal verspreid. Hoogten en laagten stonden vol boomen,
die zelf even als hun gebladerte er vreemd uitzagen. Verbazend veel
bloemen waren er van de schitterendste kleuren, zooals de avonturiers
nog nooit hadden gezien. Vruchten, van allerlei vorm en kleur, hingen
aan de boomen. Vooral maakt Columbus gewag van het gezang der vogels,
dat de lucht vervulde; van de zuivere en welriekende lucht en van
het kristalheldere water.
Zoodra Columbus aan land stapte, viel hij op de knieën en dankte
God. De matrozen schaarden zich om hun beroemden leidsman, volgden
zijn voorbeeld en schaamden zich over hun oproerig gedrag. Velen
weenden, kusten zijn handen en smeekten om vergeving. Zij, die het
lastigst waren geweest, vleiden nu het meest, kropen nu het laagst,
want zij hoopten gunsten te ontvangen, waardoor zij zich zouden kunnen
verrijken en tot den adelstand verheffen.
Met indrukwekkende, godsdienstige gebruiken plantte Columbus nu de
Spaansche vlag op het strand. In vrome erkenning van Gods goedheid,
die hen zoo ver had geleid, noemde hij het eiland San Salvador. Toen
vorderde hij van de bemanning der drie schepen den eed van trouw
aan hem als Admiraal en Onderkoning van al de rijken, die men nu
zou betreden.
De inboorlingen stonden er schroomvallig omheen, en keken al die
bewegingen met diep ontzag aan. Men verhaalt, dat, toen zij voor het
eerst de schepen zagen, die zich schijnbaar van zelf voortbewogen en
hun verbazend groote vleugels introkken, zij die voor zeemonsters
hielden of voor vogels, die op reusachtige vleugels uit hun
luchtverblijven afdaalden. Toen de zeelieden met hun schitterende
maliënkolders, vreemde kleeding en oorlogswapenen aan wal stapten,
vluchtten zij van schrik in de bosschen. Maar toen zij zagen, dat
ze niet vervolgd werden, en wij geen vijandige bewegingen maakten,
kwamen ze langzaam terug. De gebiedende gestalte van Columbus, zijn
verheven wijze van doen, zijn scharlaken kleeding en de eerbied,
welken al zijn metgezellen hem bewezen, maakten, dat de inboorlingen
met de grootste vereering tot hem opzagen.
De inboorlingen geloofden over het algemeen, dit wordt telkens
getuigd, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Een hunner
opperhoofden onderzocht later dan ook, hoe zij naar beneden gekomen
waren, òf vliegend òf door nederdaling op de wolken.
Daar er dus twee partijen waren, die elkander aankeken, was de
verbazing wederkeerig. Het tooneel, dat zich aan de Spanjaarden
voordeed, was even buitengewoon als dat, wat de inboorlingen
aanschouwden. Het landschap was in al zijn afwisseling zoo nieuw
voor de vreemdelingen, alsof zij op een andere planeet waren
gekomen. Boomen, vruchten, bloemen, alles was heel anders, dan wat
zij tot nog toe hadden gezien. Het klimaat scheen volmaakt, want het
was warm en toch niet drukkend; men gevoelde evenmin rilling, als men
van overmatige hitte last had. De paradijs-onschuld, de zedigheid en
eenvoud van de inboorlingen wekten hun verwondering en bewondering
op. Hun gele tint vindt men nog mooi. Hun fraai geronde leden hadden
regelmatige en bevallige vormen, die met de wereldberoemde beelden
van Venus en Apollo zouden hebben kunnen wedijveren.
Waren de bijgeloovige inboorlingen door het gezicht van wezens,
die òf uit de lucht waren neergekomen òf uit de diepte opgerezen,
zooals zij meenden, getroffen, sterker is de indruk wellicht bij de
Spanjaarden geweest.
Columbus meende, dat hij op het uiterste eiland van Indië geland
was. Daarom noemde hij de inboorlingen dan ook Indianen. Dien naam
hebben langzamerhand alle bewoners van de nieuwe wereld gekregen.
Toen de inboorlingen ondervonden, dat de vreemde bezoekers
hun geen kwaad deden, werden zij langzamerhand vertrouwelijk en
welwillend. Zij overlaadden de Spanjaarden met de sterkste bewijzen
hunner gastvrijheid. De matrozen liepen zonder vrees door de
bosschen, en aten de vroeger nooit geproefde vruchten, die aan zoo
vele takken zaten. Dat Columbus van nature een goedhartig man was,
schijnt onwedersprekelijk; maar door den invloed van de domheid dier
dagen, maakte hij zich later aan vele wreedheden schuldig. Hij stal de
harten van de inboorlingen geheel door hun eenige blinkende kraaltjes
of tingelende klokjes te geven. Zij beschouwden die als dingen van
onschatbare waarde.
De mooie meisjes, die zich zeer zedig gedroegen, hingen die klokjes
om haar midden en dansten vroolijk, terwijl zij naar het getingel
luisterden. Columbus vertelt in zijn beschrijving, dat zij geen
kroeshaar hadden als de Afrikanen, maar dat het lang en zeer zwart was,
en meestal op de schouders hing. Opdat het haar niet over de oogen
hangen zou, werd het van voren afgeknipt. Haar gelaatstrekken maakten
een aangenamen indruk en zij hadden hooge voorhoofden en prachtige
oogen. Zij hebben een licht koperen kleur en soms vergeleek men die
met de kleur van nieuwe gouden munten.
Een zaak trof de vreemdelingen zeer, n.l. dat alle inboorlingen,
die zij zagen, beneden de 30 jaar waren. Oude menschen schenen niet
onder hen te zijn. Wat kon dit beduiden?
Maar er was iets anders nog, dat de aandacht van de nadenkenden
opwekte en bewees, dat men niet in het paradijs gekomen was. Zij
bezaten strijdknodsen en scherp gepunte werpspietsen, voorzien van de
verscheurende tanden van een haai. Toen Columbus daarvan door teekens
sprak, gaven zij te kennen, dat zij in den oorlog gebruikt werden om
aan te vallen of aanvallen af te weren. En sommigen van hen wezen op
de wonden, die zij in het gevecht bekomen hadden.
Des avonds keerden alle Spanjaarden naar de schepen terug. De nacht
ging rustig voorbij, ofschoon men van opgewondenheid niet slapen
kon. Zoodra het licht werd, verzamelden zich vele inboorlingen van
alle kanten van het eiland aan het strand, om dit vreemde tooneel te
zien. Zij stelden zooveel vertrouwen in de vreemdelingen, dat velen
van hen in zee sprongen en naar het schip zwommen. Het water scheen
hun natuurlijk element te zijn.
Zij bezaten vele schuitjes, die uit boomstammen bestonden, welke met
veel moeite waren uitgehold. Enkele er van waren zoo klein en licht,
dat er slechts één man in zitten kon, andere zoo groot, dat wel
veertig gewapende krijgslieden er plaats in vinden konden.
Deze kano’s hadden geen kiel en kantelden daarom licht om, maar dit
telden de inboorlingen weinig. Zij zwommen er omheen als eenden,
zetten de kano overeind, hoosden er het water met kalebasschalen uit,
en sprongen er weer in, welk een en ander slechts eenige oogenblikken
oponthoud veroorzaakte.
Het was een groote teleurstelling voor Columbus, dat deze menschen
zoo ontzettend arm waren. Ofschoon zij in een heerlijk klimaat en
in geriefelijke hutten woonden, vruchten in overvloed hadden en
geen kleeren behoefden, bezaten zij niets, waarmede Columbus zijn
schepen bevrachten en zich zelf en zijn metgezellen verrijken of
de begeerlijkheid van den Spaanschen vorst bevredigen kon. De arme
inboorlingen hadden niets dan prachtige papegaaien, die zij uit
liefhebberij tam maakten, en ballen van katoenen garen. Deze ballen
waren wel eens 25 pond zwaar en zouden op de markten in Spanje veel
waard zijn geweest. Ook hadden zij een soort van eigengemaakt brood,
dat uit een wortel, Juca geheeten, vervaardigd werd, en een smakelijk
voedsel voor de eilandbewoners opleverde, maar geen belangrijk
handelsartikel kon zijn.
Toen Columbus den volgenden dag te midden van een groote menigte
inboorlingen landde, zag hij vele meisjes, die gouden sieraden droegen,
niet in de ooren, maar aan den neus. Dat glinsterend metaal boeide
spoedig zijn oog. Gretig verruilden de Indiaansche schoonen die
eenvoudige gele tooisels voor prachtig gekleurde kralen van geringe
waarde. Met belangstelling onderzocht Columbus, waar dit goud van
daan kwam.
Het is verbazend moeilijk, om wat gewaar te worden, wanneer alleen de
gebarentaal kan gebruikt worden; en die moeilijkheid wordt nog veel
grooter, wanneer die gebaren van beschaafden door wilden moeten worden
verstaan en omgekeerd. Daarom werd Columbus stellig grootelijks misleid
door de aanwijzingen, die hij van de inboorlingen geloofde ontvangen
te hebben. Hij meende verstaan te hebben, dat er op eenigen afstand
zuidwaarts een machtig opperhoofd woonde, die grooten overvloed
van goud bezat, en die op schalen van dit kostelijk metaal werd
bediend. Ook had hij den indruk gekregen, dat er in het noorden volken
woonden, die dikwijls gewapend optrokken, om de zuidelijke stammen
aan te vallen, en daarna met grooten buit aan goud terugkeerden. Met
zijn vurige verbeelding waande hij van een prachtige stad te hebben
hooren spreken met schitterende paleizen, niet ver van de plaats
waar zij nu waren, en dat hij in de landbouw-distrikten aangekomen
was van een der schoonste landen van de aarde.
Zoo ging de 13e October voorbij. Voor de zeereizigers was het een
merkwaardige dag, want er was opgewektheid en vreugde. Den volgenden
morgen begaf Columbus zich met zijn manschappen in de booten,
om het eiland te gaan verkennen. Belangrijker verkenningstocht,
in de morgenuren van een tropischen dag begonnen, en omringd door
wonderbaar schoone en nooit aanschouwde tooneelen, kan men zich
moeilijk voorstellen. Columbus zei, dat het eiland door koraalriffen
ingesloten was, die slechts een nauwen doortocht overlieten; voorts,
dat tusschen die riffen diepe en veilige ankerplaatsen lagen, groot
genoeg, om de schepen van de geheele wereld te bevatten. Op deze
lieve plek begon de tocht, en men zette koers naar het noordoosten.
Het eiland bleek zeer houtrijk te wezen, en, behalve dat er
verscheidene riviertjes waren, was er middenop een groot meer. Tal
van schilderachtige dorpen, die als verscholen lagen in de schoonste
boschjes, voeren de reizigers, die met hun booten dicht bij de kust
bleven, voorbij. Overal kwamen de bewoners, zoowel mannen en vrouwen
als kinderen, naar het strand, en liepen met de booten mee. Van tijd
tot tijd vielen sommigen op de knieën en maakten zekere bewegingen,
die de Spanjaarden of voor een uiting van dank aan God hielden,
dat zij aangekomen waren, of voor eerbewijzingen, omdat men hen voor
hemelsche wezens aanzag.
Door onbedrieglijke gebaren noodigden de inboorlingen hen uit
aan land te komen; hun tevens versch water en heerlijke vruchten
aanbiedende. Toen de booten haar tocht vervolgden, sprongen verscheiden
inboorlingen in zee, en zwommen ze achterna, waaruit duidelijk bleek,
dat ze zoowel in ’t water als op het land in hun element waren. Anderen
volgden in kano’s. De goedhartige admiraal ontving allen met de
grootste vriendelijkheid, en maakte hen hoogst gelukkig met eenige
snuisterijen, welke zij als hemelsche geschenken aannamen. Columbus
verklaart bij herhaling, dat de inboorlingen hen voor engelen aanzagen.
Dit is echter eenigszins twijfelachtig. Door teekens toch kan men
niet gemakkelijk zijn meening uitdrukken. En men mag te recht vragen,
of de inboorlingen ook maar een flauw begrip hadden van werelden, waar
engelen wonen, zooals het christendom leert. Zoo dreven de roeibooten
voort, tot zij eindelijk een vrij belangrijke kaap bereikten, waarop
zes Indiaansche woningen stonden, omgeven door bosschen en tuinen,
waarvan Columbus verklaarde, dat zij net zoo mooi waren als die, welke
men in Castilië aantrof. Hier gingen zij aan wal, om wat te rusten en
zich te verkwikken, waarna zij zich gereed maakten, om naar de schepen
terug te keeren. Ze namen zeven inboorlingen mee om die de Spaansche
taal te leeren en ze als tolken te gebruiken. Nog dienzelfden avond
werden de zeilen geheschen, en stevende men naar ’t zuiden.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN TOCHT DOOR DE EILANDEN.
Uit de beschrijving van Columbus blijkt niet duidelijk, of er van San
Salvador werkelijk eilanden te zien waren. Misschien ging hij op het
getuigenis van de inboorlingen af.
Volgens de bewering van Marco Polo, deelden de Indianen, die zich op
’t schip van den admiraal bevonden, hem mee, dat het aantal eilanden
in deze zeeën ontelbaar was, en dat de bewoners er van meestal met
elkander in oorlog waren. Zij gaven de namen van meer dan honderd
dezer eilanden op. Spoedig kregen zij in het zuidwesten een zeer groot
eiland in het oog, dat omstreeks vijftien mijlen van hen af was. De
Indianen stelden de bewoners daarvan als veel rijker voor dan die van
San Salvador, en zeiden, dat zij armbanden en andere groote sieraden
droegen van zuiver goud.
Aangezien de nacht op handen was, en men zich in onbekende zeeën
ophield, gaf Columbus bevel, om tot den volgenden morgen te blijven
liggen. Toen de zon opkwam werden de zeilen weer opgehaald, maar de
voortgang werd door tegenstroomen en ongunstigen wind zoo vertraagd,
dat de zon reeds onderging, toen zij bij het eiland ten anker
kwamen. Den volgenden morgen gingen zij met de booten aan land. Hier
zagen zij volmaakt dezelfde tooneelen als op San Salvador. Het
klimaat, het gebladerte, de bloemen, alles was net gelijk; ook de
inboorlingen maakten geen verschil; ook dezen waren naakt, goedwillig
en vriendelijk en hadden evenmin goud. Columbus zocht overal, maar
te vergeefs, naar gouden versieringen aan armen of beenen. Of zij
in de verbeelding van de Indianen of in die van hemzelf bestonden,
is niet uit te maken. Hij nam echter dit eiland in bezit, alweer met
vertoon van godsdienstige gebruiken, waarnaar de inboorlingen met
kinderlijke verwondering keken. Hij gaf het den naam van Santa Maria,
en zeilde toen weer weg, om de reis voort te zetten.
Juist toen zij het anker lichtten, gebeurde er iets, dat
helaas! duidelijk aantoont, dat enkele inboorlingen althans, die
op het schip van den admiraal waren, geen vrijwillige tolken, maar
gevangenen waren. Toen een van de Indianen van San Salvador, die op
De Nina was, waarop Vincent Yanez Pinzon bevel voerde, op een kleinen
afstand een groote kano zag, die vol inboorlingen was, sprong hij in
zee, en wist door zoo vlug als een visch te zwemmen, te ontsnappen en
werd door zijn landslieden opgenomen. Wel werd er aanstonds een boot
uitgezonden om hem te vervolgen, maar de wilden roeiden zoo hard,
dat zij den oever bereikten vóór men hen kon achterhalen, en met de
snelheid van hinden verdwenen zij in de bosschen.
De zeelieden voerden hun kano als buit mee naar het schip. Het was een
zeer onrechtvaardige handelwijze, die zelfs de onwetendste barbaar
moest veroordeelen. Toch werd spoedig daarop een nog afschuwelijker
daad door de matrozen gepleegd. Een Indiaan, die gehoord had, dat
de Spanjaarden katoen wilden koopen, begaf zich geheel alleen in
zijn biezen kano naar het schip van den admiraal. Toen hij bij den
boeg kwam, hield hij het katoen omhoog, opdat de matrozen het konden
zien. Zij wenkten hem nader te komen en toen sprongen twee of drie,
die goed konden zwemmen, in zee, verklaarden zijn kano verbeurd en
sleurden den bevenden man als gevangene mee naar ’t schip.
Columbus, die op de hooge kampanje stond bij den achtersteven van het
schip, zag die daad. Hij gaf bevel den gevangene bij hem te brengen. De
arme Indiaan kwam bevend als een espeblad aan, en hield het pak katoen
vooruit als een geschenk voor den man, die hem gevangen genomen had,
ten einde daardoor zijn genade te verwerven. De admiraal ontving hem
met de grootste vriendelijkheid, zette hem een mooi gekleurden hoed op,
deed hem om elken pols een armband van schitterende koralen aan, hing
een of twee belletjes aan zijn ooren en beval toen, dat men hem weer
naar zijn kano terug moest brengen en het katoen ook. Deze geschenken
waren voor den armen Indiaan, wat een groote erfenis voor iemand in
de beschaafde wereld zou zijn geweest. Vroolijk roeide hij naar het
strand, en Columbus keek met veel genoegen naar de groepen, die om hem
heen gingen staan, om zijn schatten te bekijken en naar het verhaal
te luisteren van de vriendelijke behandeling, die hij had ondervonden.
Toen Columbus Santa Maria verliet, zag hij op een afstand van
verscheidene mijlen in het westen een ander groot eiland en zette
den koers daarheen. Halverwege achterhaalde hij een Indiaan, die
geheel alleen in een heel oude kano zat, en stellig naar het eiland
roeien wilde, om er de tijding van de komst der Spanjaarden over te
brengen. Hij had een snoer koralen om den hals, dat hij te San Salvador
gekregen had. Columbus bewonderde den moed van den man, die zulk een
reis met zulk een ellendige kano durfde wagen. De Indiaan werd met
zijn kano aan boord gehaald, en men behandelde den gast vriendelijk,
en onthaalde hem op wijn, brood en honig. Een zeer zachte wind gleed
over de spiegelgladde zee, en zij konden eerst ten anker komen,
toen de avondschemering reeds gevallen was.
De Indische kano liet men nu over boord zakken, en de gelukkige
man werd met geschenken beladen aan land gezonden, ten einde de
inboorlingen gunstig te stemmen, en te maken, dat hun de Spanjaarden
welkom waren. Het nieuws verspreidde zich zoo snel over het eiland,
dat er ’s morgens reeds bij zonsopgang een groote toevloed van
inboorlingen op het strand was te zien, terwijl het op de zee van
kano’s wemelde. Zij verdrongen elkander, om bij de schepen te komen
en vruchten, wortels en versch water te brengen. Columbus gaf allen
kleine geschenken en onthaalde hen op suiker en honig.
Spoedig gingen enkelen van de drie schepen aan land. Hier waren ze
op nieuw getuigen van zichtbaar geluk en blijkbaren vrede, zooals ze
die meer hadden gezien. Zij brachten eenige uren op het eiland door,
waren ingenomen met den eenvoud en de openbaringen van genegenheid
der inboorlingen.
Hun tenten waren van riet en palmbladen gemaakt, en zij zagen er van
buiten heel aardig uit, terwijl van binnen alles netjes en ordelijk
was. Het volgende uittreksel uit het dagboek van Columbus maakt ons
bekend met den indruk, dien hij van de inboorlingen kreeg.
"Daar zij ons veel vriendschap bewezen, en ik bovendien wist, dat
het menschen waren, die eerder door liefde dan door geweld tot het
christendom te bekeeren zouden zijn, gaf ik sommigen veelkleurige
hoeden, anderen halssnoeren van glazen koralen en vele andere dingen
van weinig waarde, waarmede zij echter zeer ingenomen waren, en
zoo op onze hand kwamen, dat wij er ons over verwonderden. Dezelfde
personen kwamen later weer zwemmend naar de schepen, waar wij waren,
en brachten ons papegaaien, katoenen garen, werpspiesen en vele andere
dingen, die zij tegen belletjes en koralen verruilden. Kortom, zij
gaven goedwillig al wat zij hadden; maar ’t kwam mij voor, dat zij
anders heel arm waren, en ook liepen zij heelemaal naakt."
Ter eere van koning Ferdinand gaf Columbus aan dit eiland den naam van
Fernandina, maar later is het Exhuma genoemd. Columbus beproefde er
omheen te varen. Naar het noordwesten zeilende, vond hij eene heel
mooie haven, waarin een honderdtal schepen veilig voor anker kon
liggen. Hij liep die haven in, en ging met een gezelschap aan land,
om water te halen. Terwijl de matrozen de tonnen vulden, wandelde
Columbus een klein eind verder, en ging op een groenen heuvel zitten,
om het schoone gezicht te bewonderen, dat hem van alle kanten omgaf.
In zijn dagboek betuigt hij: "Nooit heb ik vroeger zulk een prachtig
landschap gezien." Het was zoo frisch en groen, als Andalusië er in
Mei uitziet. De boomen, de vruchten, het gras en de bloemen waren
heel anders dan in Spanje. De bewoners waren heel vriendelijk. Zij
wezen den Spanjaarden de beste waterbronnen aan, hielpen hen de tonnen
vullen en ze naar de booten rollen.
Ofschoon Columbus’ verbeelding veel voedsel kreeg, viel het hem toch
bitter tegen, dat er niet meer goud was. Omdat het duidelijk was,
dat hij op dit eiland niets van dit kostbaar metaal kon krijgen,
zeilde hij den 19en naar een ander eiland, dat de inboorlingen
Saometa noemden. Hij had uit de teekens der wilden afgeleid, dat daar
goudmijnen waren, dat het de residentie van het voornaamste opperhoofd
of van den koning van al de omliggende eilanden was, en dat die een
met juweelen en goud omzoomd gewaad droeg.
Toen zij op het eiland aangekomen waren, vonden zij er noch monarch
noch goudmijn. De bewoners waren talrijk, het eiland was verrukkelijk
en het afhankelijke hoofd droeg heel gewone versierselen. Wat Columbus
erg verwonderde was, dat ieder eiland telkens mooier scheen dan dat,
’t welk men van te voren had bezocht, en werkelijk bestond er een groot
verschil in de natuurtooneelen. De boomen en bloeiende struikgewassen,
welke dit eiland bedekten, waren zeldzaam mooi. Op het eiland vond men
hoogten, die vrij aanzienlijk waren. De lucht kwam hem in ’t bijzonder
zeer welriekend voor, en het fijne zand op het strand werd door golven
bespoeld, die bijna zoo doorzichtig waren als kristal. Midden op het
eiland vond hij verscheidene schoone meren vol helder water. Aan dit
eiland gaf hij den naam van Isabella, ter eere van de koningin, wier
aandenken hij met zooveel trouwe toewijding liefhad. Van dit eiland,
dat nu Exumeta heet schreef hij:
"De groote meren, welke men hier aantreft, en de boschjes, waardoor ze
omringd worden, zijn wonderschoon. En evenals op andere eilanden is
hier alles groen. De vogels zingen hier zoo, dat men er altijd naar
zou willen luisteren. De vluchten papegaaien zijn hier zoo groot,
dat de zon er door verduisterd wordt en de andere vogels, zoo groot
als klein, zijn zoo veelsoortig en verschillen zoozeer van de onze,
dat men zich er over verbaast. Bovendien ziet men hier duizenderlei
soorten van boomen, die elk hun eigenaardige vruchten hebben, waarvan
de smaak heel vreemd is, zoodat het mij erg spijt, dat ik ze niet ken;
want ik weet zeker, dat ze veel waard zijn. Ik zal er als proef eenige
mee naar huis nemen, en ook eenige grassoorten."
"Toen ik hier kwam, kreeg ik van de boomen en bloemen van het land
zulk een aangenamen reuk in den neus, dat er in de wereld niets
lekkerders wezen kan. Ik geloof, dat hier vele grassen en boomen
zijn, waarop men in Spanje zeer gesteld wezen zou, om er aftreksels,
geneesmiddelen en specerijen van te maken; maar ik ken ze volstrekt
niet, en dit spijt mij zeer."
Niet alleen de vogels, die van tak tot tak sprongen, droegen prachtige
veeren, maar ook de visschen, waarvan die kristalheldere wateren
wemelden, vertoonden al de schoone kleuren van den regenboog. Zij
wedijverden met de vogels in kleurenpracht.
De dolfijnen vooral, die gemakkelijk te vangen waren, verrukten de
beschouwers door de wondervolle kleurveranderingen, die zij te zien
gaven. Het is eenigszins merkwaardig, dat er geen viervoetige dieren
gevonden werden, uitgezonderd een paar zeer kleine. Er was er een,
die veel op een hond leek, maar in ’t geheel niet blafte. Er waren
ook eenige konijnen en hagedissen, welke laatste de Spanjaarden met
afkeer en vrees beschouwden, alsof het vergiftige kruipende dieren
waren. Naderhand verklaarden zij, dat zij onschadelijk waren en hun
vleesch heel lekker smaakte.
Maar goud zochten deze ontdekkers. De moeilijk te begrijpen gebarentaal
gebruikende, vroeg Columbus ieder opperhoofd dien hij ontmoette, waar
men goud kon vinden; maar de inboorlingen bedrogen hem opzettelijk
of--en dit kon ook ’t geval wezen--Columbus verstond hun gebaren
niet. Steeds wezen zij naar het zuiden en gaven uitdrukkelijk te
kennen, dat daar een volkrijk eiland was, dat veel goud bevatte en
Cuba heette.
Zij, die aan boord van de schepen waren, kenden op het laatst dien
naam ook heel goed, en de gebeurtenissen van latere eeuwen hebben
hem nog meer bekend gemaakt. Allen verlangden op het eiland Cuba te
komen. Men meende, dat er groote steden op dat eiland moesten zijn,
en de haven vol groote schepen lag.
Het was in het laatst van October. In de keerkringen ving de regentijd
aan, waarmee een volkomen windstilte samenging. In den nacht van den
24n October zette Columbus de zeilen weer op, om het eiland Cuba op te
zoeken. De zeilen hingen echter slap tegen de touwen tot den middag
van den volgenden dag toe. Toen verhief zich een lekker en gunstig
windje. Door naar het zuidwesten te varen, kreeg hij vele eilandjes
in het gezicht; doch hij vond het niet de moeite waard zich er om
op te houden. Ook vond hij een eilandengroep, die hij Arene noemde,
maar nu de Mucaras heeten.
Op den morgen van den 28en October kwamen de prachtige bergen van
de koningin der Antillen in het gezicht. Nooit kan de schrijver
de aandoeningen vergeten, die hij ondervond, toen de schitterende
morgenstralen van een der schoonste morgens in de keerkringsgewesten
hem de bergen en valleien, het wondervolle gebladerte en groen, en
de blijkbaar grenzenlooze uitgestrektheid van het schoonste eiland
der aarde lieten zien. Het was misschien niet ver van de plek, waarop
Columbus stond, dat hij het verrukkelijk gezicht zag.
In de gloeiendste taal beschrijft hij de heerlijkheid van de bergen,
die tot in de wolken reiken; de weelde en den bloei van de ruime
valleien; de trotsche met wouden bedekte voorgebergten, die in de
zee uitloopen en de kapen, die zich naar het noorden zuidwesten zoo
ver uitstrekken, dat ze eindelijk aan het oog ontsnappen. Een schoone
rivier, aan de noordkust van het eiland, bood hem een goede gelegenheid
aan, om met zijn schepen binnen te varen. Hier liet hij dan ook het
anker vallen. Het water was zoo doorzichtig, dat men verscheiden
vademen diep de visschen en schelpen kon zien. Fijn, wit zand lag op
het bed van de rivier en de oevers waren rijkelijk begroeid.
Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals gewoonlijk het
eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en noemde het
Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella’s zoon. De rivier gaf hij den
naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten
zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg.
Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin eenig vischtuig
lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels van
palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een
van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van
deze hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart
hebben, rijk. De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen
en wind. Zilvergras bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren
hadden ze niet noodig. Zij behoefden de handen maar uit te steken om
van de zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier
schonk hun allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben.
Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van beschaving,
dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat er in
was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval,
dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met
het scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme
rivier op. Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen.
"Cuba", schreef hij in zijn dagboek, "is het schoonste eiland, dat
ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen." Terwijl
men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog
vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige
tropische boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote
menigte werden aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het
voorkomen van een paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der
rivier, maar de inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot
zagen. De huizen, schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot
dus ver had gezien. Er waren in die dorpen geen regelmatige straten,
maar de huizen lagen schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren
netjes van palmbladeren gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder
zindelijk en ordelijk uit.
Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de reis langs de
kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog maar in de
meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte de
eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend
of hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad
kon ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan
was. Maar toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had,
en geen einde aan het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij
reeds het vasteland van Indië bereikt had.
Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte, dicht met
palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf. Men
denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is,
waaraan men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft.
Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te komen, om over
de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat Cuba geen
eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden
uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij, nu bij het vasteland
van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de taal van
de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten Noorden,
een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige dagen
zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende,
dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug,
en ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los
Maries noemde.
Het was nu de 1e November. Op den oever stonden eenige huizen, en
lager nog zag men een boschje van cacao- en palmboomen. Toen de zon
opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen van
schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om
met de beangstigde lieden, die aan ’t strand stonden, een gesprek aan
te knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador
waren, zond Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen
van hunne vreedzame bedoelingen te overtuigen.
Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te beroepen waren,
richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen, dat zij
zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging geheel
weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk, luisterden
naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week, en
er nog vóór het vallen van den avond zestien kano’s vol inboorlingen
om de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze
verkoopen wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet
het kleinste gouden sieraad was te zien. Slechts één man droeg een
klein gesmeed stukje zilver aan den neus.
Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote stad,
waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het
binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die
twee afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee
mannen heetten Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was
een bekeerde jood, die tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en
Arabisch verstond. Columbus achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de
Oostersche vorst ten minste een van die talen sprak.
Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee. Een van deze
kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de oevers
van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden voorzien
ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen,
om die den vorst te vereeren. Ook kregen ze een brief mee, waarin
de wensch van den koning en de koningin van Spanje was uitgedrukt,
om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen in ’t Oosten
aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke te doen,
om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners. Zes
dagen mochten zij voor de reis gebruiken.
Terwijl Columbus de terugkomst van het gezantschap afwachtte, was hij
druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden,
om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en
roeide zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een
steilen oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe
ver hij ook keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen,
die welig in het wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs
zocht hij naar die planten, welke in drogisterijen en apotheken
in Europa zoo hoog geschat worden. Soms kwam hij in aanraking met
inboorlingen, liet hun dan paarlen en goud zien en vroeg, waar hij
zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden, die hij in woorden of door
gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer bijster. Zij schenen
te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één oog hadden;
anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters waren,
de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen.
Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen goud kreeg,
toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur om
hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte
uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen
op zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een
appel, in de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch
heel lekker en werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een
onmisbaar voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De
ontdekking van den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken
van grooter waarde voor de menschen te zijn dan het vinden van een
berg goud zou zijn geweest.
De afgezanten kwamen den 6en November terug. Allen gingen nieuwsgierig
om hen heen staan, om naar het verhaal hunner lotgevallen te
luisteren. Het was echter niet zeer bemoedigend. Nadat zij ongeveer
dertig mijlen langs een pad door ’t bosch gereisd hadden, kwamen
zij in een gehucht, dat uit nagenoeg vijftig hutten bestond, die
niet verschilden van de vroeger gevonden woningen; alleen waren ze
misschien iets grooter. De grootte der bevolking hebben ze stellig
zeer overschat, want zij zeiden, dat er duizend menschen waren, en
dus zouden er in elke hut twintig hebben moeten wonen. De bewoners
ontvingen hen vriendelijk, lieten hen op zonderling gebeeldhouwde
houten blokken zitten, en onthaalden hen op vruchten en groenten.
De geleerde Jood trachtte in al de hem bekende talen met hen te praten,
maar dit ging niet. Toen poogde de Indiaan hen toe te spreken. In
hoever dit gelukte, kan niet uitgemaakt worden, maar toen hij ophield
gingen de inboorlingen om de blanken heen staan met teekens van
bewondering en bijna van vereering. Zij bekeken hun kleeren, streken
met de hand over hun huid en schenen hen in alle opzichten als hoogere
wezens te beschouwen. Alle inboorlingen, die ze tot nog toe hadden
gezien, stonden in aanzien en macht gelijk, maar hier namen ze voor
het eerst verschil in rang aan. Een onder hen was als het hoofd te
herkennen. Maar goud vond men ook hier niet, niet eens kruiden. De
afgevaardigden begrepen dus, dat verder onderzoek nutteloos ware,
en daarom keerden ze naar de schepen terug.
Volgens hun verhaal hadden al de menschen uit het dorp met hen mee
willen gaan, maar voor die eer hadden ze bedankt, en alleen een van
de voornaamsten met zijn zijn zoon meegenomen.
Op hun terugreis zagen ze voor de eerste maal, dat de inboorlingen
een onkruid gebruikten, dat de vernuftige mensch, al kwam zijn gezond
verstand er ook tegen op, sedert tot een algemeen weelde-artikel
heeft gemaakt. Velen liepen met iets brandends in de hand; anderen
rolden gedroogde kruiden in een blad, staken het eene einde aan, het
ander in den mond, zogen zoo den rook op en bliezen hem daarna weer
uit. Zulk een rolletje noemden ze "a tobacco," een naam, die later aan
de plant gegeven is waarvan de rolletjes gemaakt worden. Ofschoon de
Spanjaarden voorbereid waren op veel vreemds, zoo trof hun toch dit
zonderling en walgelijk gebruik.
De afgevaardigden gaven een boeiend verhaal van de schoonheid der
natuur, en de vriendelijkheid van ’t volk. De menschen waren gezellig
van aard, en schenen goed met elkander te kunnen omgaan. De dorpen
bestonden uit eenige bij elkander staande huizen, en bij elke woning
behoorde een goed bewerkte tuin met Indisch koren, aardappelen en
andere groenten er in. Ook waren er uitgestrekte katoenvelden. Van
het katoen werd touw gemaakt, en hiervan vervaardigden zij netten en
smaakvolle hangmatten.
De weelderige bosschen waren vol vogels, waarvan velen prachtige veeren
hadden, en op de meertjes zwommen watervogels van allerlei vorm en
kleur. Maar van een stad in ’t binnenland, of van kostbare metalen had
men niets gezien of gehoord. Columbus was hierdoor zeer teleurgesteld,
al reisde hij dan ook door een land, waarvan de schoonheid aan ’t
fabelachtige grensde.
Het kan niet ontkend worden, dat Columbus zich droombeelden schiep,
en dat hij daardoor op zeer zwakke gronden voor waarheid hield,
wat hij gaarne voor waarheid _wilde_ houden.
Van de Indianen vernam hij, gedurende de afwezigheid van de gezanten,
dat er heel ver in ’t Oosten een zeer volkrijk eiland lag, waar de
bewoners bij fakkellicht op de oevers der rivieren goud vonden, waarvan
zij staven maakten. De zomer in de heete luchtstreek spoedde ten einde,
en de winter met zijn vaak kille nachten was in aantocht. Columbus
was in zuidelijk Spanje gewoon aan zomers, die haast net zoo zacht
waren als die op Cuba. Tot nog toe had hij geen oord gevonden, dat hem
geschikt voorkwam, om er een kolonie te stichten. Het was zijn plan
niet alleen een landbouwkolonie te vestigen, maar hij wilde gaarne in
een volkrijke en welvarende streek voordeelige handelsbetrekkingen
aanknoopen, en zijn schepen met oostersche handelswaren laden,
waardoor hij zelf en zijn beschermers rijk konden worden, en waarover
zijn landgenooten zich zouden verwonderen.
Maar tot dus ver had hij slechts naakte wilden gezien, die in
ellendige en allereenvoudigste hutten woonden, en hij kon, behalve
een paar gouden sieraden, niets mee naar Spanje nemen, dan een kleine
hoeveelheid ruw katoenen garen.
Columbus gaf den naam van Mares aan de rivier, waar hij voor anker
lag. Hier zocht hij verscheiden inboorlingen uit, die zich door
lichaamsschoon en geestesgaven gunstig onderscheidden, om ze meê naar
Spanje te nemen en ze de Spaansche taal te leeren, zoodat zij hem op
latere reizen tot tolken konden dienen. Wij weten niet, of dit hun
eigen wil was, dan of zij opgelicht zijn. Hij zocht mooie meisjes
uit en jonge mannen, die een flinke gestalte hadden. De beminlijkheid
en leerzaamheid van de inboorlingen deden Columbus gelooven, dat zij
gemakkelijk tot het christelijk geloof te brengen zouden wezen.
Peter Martyr verhaalt van de zeden en gewoonten van de menschen op
Cuba het volgende.
"Evenals het zonlicht en het water ieder toebehooren, zoo is ook het
land het gemeenschappelijk bezit van allen. De woorden ’mijn en dijn’,
die zaden van alle ellende, kennen zij niet. Zij zijn met zoo weinig
tevreden, dat zij in zulk een groot land eerder overvloed dan gebrek
hebben, en dus in de gouden eeuw schijnen te leven. Hun tuinen liggen
open en bloot, zijn niet door heggen verdeeld en worden noch door
muren beschermd noch door dijken ingesloten. Zij hebben geen wetten,
wetboeken of rechters, maar deelen alles eerlijk met elkander."
Het ligt voor de hand, dat men het met die beschrijving niet zoo
nauw nemen moet. De bewoners der nieuwe wereld toch trof men aan
met moordtuigen en oorlogswapenen in de hand. Velen hadden op het
slagveld wonden gekregen, en zij vertelden zelf van stroopersbenden,
die de eilanden met roof en moord vervulden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
BUITENGEWONE LOTGEVALLEN.
Voor zoo ver het mogelijk was de godsdienstige begrippen van de
inboorlingen te kennen, bleek het, dat zij een onbestemd gevoel hadden
van de onsterfelijkheid der ziel. Zij geloofden, dat de geest van
den mensch na den dood naar de dichte wouden en rotsachtige bergen
verhuisde, en dat hij op een bovennatuurlijke wijze werd gevoed,
wanneer hij daar in kelders ingemetseld was. De echo’s, die zij
dikwijls bij de bergen hoorden, hielden zij voor antwoorden van de
afgestorvenen.
Den 12en November 1492 zette Columbus koers naar het Zuidoosten,
en ging ook nu langs de kust van het eiland.
Men vermoedt, dat Columbus het 2/3 deel van de lengte van Cuba had
afgelegd. Had hij nog een paar dagen doorgevaren, dan zou hij de
westelijke kust bereikt, en niet in den waan verkeerd hebben, dat
hij bij het vasteland was.
Twee of drie dagen lang zeilde hij langs de kust voort, zonder
zich ergens op te houden, om het binnenland te onderzoeken. Een
storm noodzaakte hem een haven binnen te loopen, die hij Puerto del
Principe noemde. Volgens zijn gewoonte richtte hij hier een kruis op,
en nam in den naam van zijn vorsten plechtig bezit van het land. In
de nabijheid lagen vele kleine en zeer mooie eilanden, die hij met de
booten onderzocht, en die later bekend werden onder den dichterlijken
naam van El Jardim del Roy of den Koningstuin. Aan de golf of baai, die
deze eilanden verfraaide, gaf hij den naam van Nuestra Senora. Dichte
wouden bedekten deze schilderachtige eilanden, die uit den oceaan
het hoofd opstaken. De in alle richtingen loopende en kronkelende
doorvaarten, benevens de eenzame inhammen van deze schoone streek
werden in latere jaren door zeeroovers onveilig gemaakt, die wreedheden
pleegden, waarvan de opsomming zelfs duivelen zou doen blozen.
Den 19n November heesch Columbus alweer de zeilen, omdat hij plan
had naar een eiland te gaan, dat omstreeks 60 mijlen oostwaarts lag,
en door de inboorlingen Babique werd genoemd. Met zijn niet sterk
schip kampte hij een dag en een nacht met tegenwind en een onstuimige
zee. Maar ernstiger tegenspoed stond hem te wachten.
Martin Alonzo Pinzon, bevelhebber van De Pinta, was rijk en een
ervaren zeeman. Hij had veel geld in de onderneming gestoken,
en volstrekt geen zin Columbus in alles als zijn meerdere te
erkennen. De admiraal was een man, die zich koninklijk gedroeg en
dacht. Waarschijnlijk waren beider inzichten in den laatsten tijd met
elkander in tegenspraak. Columbus wendde het roer, om naar de haven
terug te keeren, en beduidde de andere schepen evenzoo te doen. Pinzon
sloeg er geen acht op. Hij ging van de beide andere schepen weg,
en besloot een kruisvaart op eigen hand te doen. Toen de morgen van
den 21en daagde, was De Pinta nergens te zien.
De ergernis van Columbus was groot. Hij vreesde dat Pinzon plan had, om
zoo spoedig mogelijk naar Spanje terug te keeren, de groote ontdekking
bekend te maken, en zelf de eer te ontvangen, die het bericht van zulk
een belangrijke gebeurtenis hem stellig geven zou. Den vluchteling
te vervolgen was nutteloos. De driftige en teleurgestelde admiraal
keerde naar Cuba terug. Den 24en November liep hij een prachtige
haven binnen, die hij St. Catarina noemde. Hij was dicht bij den mond
van een schoone rivier, wier oevers omzoomd waren met groene weiden,
waarvan de bevalligheid alle beschrijving te boven ging, en die als
bezaaid waren met boschjes van pijnboomen en reusachtige eiken.
Hij bleef langs de kusten van Cuba kruisen en had, oostwaarts zeilende,
de schoonste vergezichten, die telkens kreten van verrukking deden
slaken. In zijn reisbeschrijving komen ook uitdrukkingen voor, die van
verrukking getuigen over den helderen hemel, den gezonden dampkring
midden in den winter, de kristalheldere rivieren, de havens, die
zoowel het landschap verfraaiden, als een groote veiligheid aanboden;
de vruchten, de bloemen, het gezang der vogels, de vriendelijkheid van
de mannen en de beminlijkheid van de vrouwen. In een van de havens,
die hij Puerto Santo noemde, schreef hij in een brief aan de koningin:
"De schoonheid van deze rivier en het kristalheldere water, waardoor
men het zand op den bodem kan zien; de vele palmboomen van allerlei
vorm, zoo groot en mooi als ik ze ooit zag en de ontelbare andere
groote en groene boomen; de vogels met hun rijke kleuren en het groen
der velden, maken dit land, doorluchtige vorsten, zoo verwonderlijk
schoon, dat het alle andere landen in bekoorlijkheid overtreft, gelijk
de dag den nacht in luister te boven gaat. Daarom zeg ik dikwijls tot
mijn volk, dat, hoe ik ook poog Uw Majesteiten een volledig verhaal er
van te geven, mijn mond de geheele waarheid niet zeggen en mijn pen
haar niet beschrijven kan. Ik ben zoo overweldigd door het gezicht
van zooveel schoons, dat ik niet weet, hoe ik alles verhalen zal."
Sommige van die boomen waren zoo ontzettend dik, dat de inboorlingen
van één boom een kano konden maken, groot genoeg voor honderd
man. Langzaam zeilde Columbus voort, en kwam den 5en December aan
de oostelijkste punt van het eiland. Daar hij dit punt voor de
oostelijkste kaap van het vasteland van Azië hield, en dus voor het
eerste punt, dat men bereikte, als men uit Europa kwam, noemde hij
deze kaap Alpha en Omega, het begin en het einde.
Columbus wist volstrekt niet, welken koers hij nu nemen moest. De
Indianen gaven wonderhoog op van Barbique, en door hun aanwijzingen
geleid, zeilde hij van het einde van Cuba naar het Oosten, toen hij in
een zuidoostelijke richting hooge bergen ontdekte, die zich boven den
horizon verhieven. Maar toen de Indianen, die aan boord waren, zagen,
dat hij daarheen wilde gaan, meenden zij, dat het de Antillen waren,
en dit vervulde hen met schrik. Zij smeekten hem er niet heen te gaan
en verzekerden, dat de menschen daar buitengewoon wreed en woest waren,
zoodat zij de gevangenen doodden en opaten.




































